De begeleiding van promovendi staat onder druk. Het resultaat is zichtbaar: hoge uitvalcijfers, vele gestrande promotietrajecten, druk op wetenschappelijke kwaliteit en een zorgwekkende mentale gezondheid onder promovendi. Toch neemt het aantal promovendi al jaren toe. Met het project Profkip vraagt De Jonge Akademie aandacht voor de hoeveelheid promovendi die één hoogleraar begeleidt.
Om de situatie te schetsen: 3800 hoogleraren, inclusief ongeveer 1000 bijzonder hoogleraren, begeleiden op papier samen bijna 38.000 geregistreerde promovendi. Dat is waarschijnlijk nog een onderschatting. Buitenpromovendi en artsen in een promotietraject staan niet altijd als promovendus geregistreerd. Volgens het CBS steeg tussen 2018 en 2024 het aantal promovendi met bijna de helft (in fte). Het aantal bevoegde begeleiders groeide echter niet mee. Het gevolg: meer promovendi zorgen voor meer profkippen, en dus meer druk op de kwaliteit van die begeleiding.
Een promotietraject is primair een opleidingstraject. Een promovendus wordt opgeleid tot zelfstandig wetenschapper door begeleiding van een promotor. Dat is bijna altijd een hoogleraar. Een promotietraject is dé stap voor een wetenschappelijke loopbaan. Dat maakt goede begeleiding een voorwaarde voor een goede opleiding, geen overbodige luxe. Het project Profkip heeft dit voorzichtig op de agenda gezet. Het Promovendi Netwerk Nederland gaat zelfs een stap verder. De belangenbehartiger van het lijdend voorwerp interpreteert de scheve verhouding tussen begeleiders en promovendi als een structureel capaciteitsprobleem.
Dit leidt tot drie met elkaar samenhangende problemen.
Ten eerste: de kwetsbaarheid van promovendi. Promovendi doen het harde werk. Zij zijn tegelijkertijd de kwetsbaarste schakel: relatief goedkope, tijdelijke arbeidskrachten die voor hun ontwikkeling volledig afhankelijk zijn van hun begeleider. Die afhankelijkheidsrelatie laat weinig ruimte voor fouten, twijfel of reflectie op kwaliteit. Zonder structurele, kwalitatieve begeleiding lijdt niet alleen de promovendus daaronder, maar ook de kwaliteit van wetenschap zelf. Minder promovendi zou meer ruimte geven aan meer en betere begeleiding.
Ten tweede: gestrande trajecten. Volgens het Rathenau maakt ongeveer 25 procent van de promovendi in dienstverband hun promotie niet af. Dat is een onacceptabel verlies; voor de promovendus zelf, maar ook voor de investering in hen. Onvoldoende of slechte begeleiding speelt daar vrijwel zeker een rol in, evenals de zorgwekkende staat van de mentale gezondheid onder jonge onderzoekers.
Ten derde: kansenongelijkheid. Ik doel op de kansen om na een promotie aan de slag te gaan als onderzoeker. Iets meer dan een vijfde van de promovendi heeft na hun promotie uitzicht op een vaste aanstelling aan de universiteit, terwijl veel meer verder zouden willen in de wetenschap. Natuurlijk vinden deze hoogopgeleide en slimme promovendi mooi en waardevol ander werk. Het roept wel een fundamentele vraag op: is het rechtvaardig om zoveel mensen op te leiden voor een carrière in de wetenschap, als die carrière voor de grote meerderheid niet beschikbaar is?
Echte kansengelijkheid betekent niet méér promovendi opleiden, maar zorgen dat degenen die promoveren ook daadwerkelijk perspectief hebben. Investeren in duurzame loopbanen – meer vaste contracten voor postdocs en universitair docenten – én minder promovendi zou de academische arbeidsmarkt structureel gezonder maken.
De oplossing vraagt om een fundamentele heroriëntatie: minder promovendi, betere begeleiding, en meer perspectief ná de promotie.
Joeri Tijdink is psychiater en onderzoeker aan Amsterdam UMC.