Soms is het gemakkelijk om AI-gegenereerde teksten te herkennen. Een VU-student kunstmatige intelligentie kreeg vorig jaar een onvoldoende voor een opdracht omdat ze de tussenzinnetjes had meegekopieerd in haar werkstuk: ‘Thought for 4 seconds’. Tja, dan vraag je erom. Toch stapte ze naar de rechter. Ze had alleen AI gebruikt om haar eigen tekst te verbeteren, stelde ze. De rechter ging er niet in mee, vooral omdat het in de opdracht uitdrukkelijk verboden was om AI te gebruiken.
De meeste studenten zullen iets nauwkeuriger zijn met knippen en plakken en dan is AI-gebruik een stuk moeilijker te bewijzen. Zeker als de student checkt of de bronnen die het programma oplepelt ook echt bestaan, want ook daar ging het in het verleden nog weleens mis. AI-programma’s als ChatGPT verzinnen soms bronnen of husselen ze door elkaar. Maar laten we ervan uitgaan dat dit beginnersfouten zijn die de meeste studenten inmiddels niet meer maken.
In 2024 gebruikte 65 procent van de Nederlandse studenten weleens AI voor hun studie en heeft 28 procent het weleens gebruikt voor een opdracht zonder dat de docent het doorhad. Het is aannemelijk dat dit percentage inmiddels alweer is gegroeid. Wereldwijd gebruikte in 2025 zo’n negentig procent van de studenten AI. Kortom, we kunnen niet meer doen alsof het 2020 is en ChatGPT nog niet bestaat. In een paar jaar heeft generatieve AI de academische wereld flink door elkaar geschud.
Hoe herken je AI-teksten?
Vaak dezelfde zinsstructuren en steeds terugkerende woorden
Dol op gedachtestreepjes
Nogal stellig
Weinig tot geen fouten
Bevatten stellingen die de kennis van de gemiddelde student te boven gaan
Meesterproef afstoffen
Academisch onderwijs heeft altijd veel nadruk gelegd op schrijfvaardigheid. Tot voor kort was het de manier bij uitstek om te testen of studenten in staat zijn om zelfstandig een berg informatie tot zich te nemen, te verwerken en de relevante elementen ervan te gebruiken in een eigen gestructureerd verhaal dat voor anderen te begrijpen is. Als studenten dat konden, waren ze geslaagd als academicus.

Zijn deze vaardigheden nog steeds relevant in een wereld waarin AI steeds meer schrijfwerk zal overnemen? En hoe test je als universiteit of studenten hun eigen werk inleveren of goed zijn in ‘prompting’, het formuleren van de opdracht voor het AI-programma? En de vraag die zich als een olifant in de academische coulissen heeft verstopt: moet er een alternatief komen voor de scriptie, de meesterproef waarmee studenten laten zien dat ze hun academische titel waard zijn?
Wellicht gaan studenten de komende jaren afstuderen op tentoonstellingen, adviesrapporten, documentaires en podcasts. De komst van AI is tenslotte ook een kans om het academisch curriculum eens grondig af te stoffen en eigentijdser te maken. Toch zijn de deskundigen die ik spreek gehecht aan de scriptie, maar dan wel op een eigentijdse manier begeleid.
Minder solitair, meer feedback
“Studenten in hun eentje maandenlang laten aanmodderen met een scriptie was eigenlijk al nooit een goed idee”, stelt Gea Dreschler, universitair docent Engelse taalkunde en directeur van het Academic Language Programme, “en met de komst van generatieve AI is het belangrijker dan ooit dat je als docent nauw betrokken bent bij het hele proces.” Dreschler denkt aan regelmatige gesprekken waarin studenten hun voortgang laten zien, hun onderzoeksvragen en methodiek beargumenteren, laten zien welke selectie ze maken, welke bronnen ze gebruiken en hoe ze hun materiaal via een aantal kladversies uiteindelijk verwerken tot een eindproduct. “Dat is inderdaad intensief voor de docent”, zegt ze, “maar ik vind dat het bij mijn taak hoort.”
Wellicht gaan studenten afstuderen op tentoonstellingen, adviesrapporten, documentaires en podcasts
“Je kunt het begeleidingsproces ook in groepjes organiseren”, zegt toetsdeskundige Susan Voogd van het Centre for Teaching and Learning, “zodat studenten elkaar feedback geven, dan hoef je als docent niet alles alleen te doen.” Sowieso is de scriptie een minder solitair project geworden: het is belangrijker geworden om kladversies samen te bespreken en feedback van anderen te verwerken. Ook is het van groter belang dat studenten hun denkstappen laten zien. “Er ligt meer nadruk op het proces en minder op het eindproduct”, stelt beleidsmedewerker onderwijs Alice Schaap van Student- en Onderwijszaken.
Steeds vaker wordt de scriptie als afstudeerwerk gecombineerd met andere elementen, zoals een mondelinge verdediging of een portfolio. Docentenopleider Voogd: “In onze opleiding zijn videofragmenten van lessen een logisch onderdeel van iemands eindbeoordeling.”
Scherper denken
Door de komst van generatieve AI gaan opleidingen zich opnieuw afvragen wat het nut is van die scriptie die ze hun studenten laten schrijven. Dreschler: “Eigenlijk is de scriptie een oefenvorm. We zeggen dat we studenten leren schrijven voor publiek, maar wie is dat publiek dan? Vaak is de begeleider de enige die het werk leest.” Dat kan ook anders volgens Dreschler: “Misschien kunnen we studenten ook artikelen laten schrijven die wel echt worden gepubliceerd, of je laat ze hun onderzoek presenteren voor medestudenten.”
Dat schrijven nuttig is, daarover zijn de deskundigen het eens. Schrijven gaat door AI een andere plek innemen in het academisch curriculum en in de hele samenleving, maar nog steeds is het dé manier om je gedachten grondig te ordenen en te onderzoeken. Pas als je iets opschrijft, kom je erachter of er nog gaten zitten in je redenering. In de podcastserie Nooit meer schrijven? die Dreschler maakte over dit onderwerp, verwoordt hoogleraar organisatiewetenschap Christine Moser het zo: “Het op papier krijgen van een gedachte, doet iets met die gedachte. Het proces om iets goed op papier te krijgen, helpt om het denken aan te scherpen.”
Gemankeerde alternatieven
Studenten vinden schrijven vaak moeilijk, weet Dreschler, die verschillende vakken over academic writing geeft. Het is belangrijk om hen uit te leggen waarom het toch zo belangrijk is. Als docent is ze geïnteresseerd in wat haar studenten beweegt om AI te gebruiken. Ze gaat er geregeld over met ze in gesprek. Saai, geen tijd, teveel schrijfopdrachten zijn redenen die ze hoorde. Op basis van die gesprekken richtte Dreschler haar onderwijs anders in. Ze geeft nu minder schrijfopdrachten en denkt beter na over de opdrachten die ze wel geeft. “Als ik een schrijfopdracht geef waarbij ik van meer dan de helft van mijn studenten AI-teksten terugkrijg, dan was de opdracht dus niet goed”, zegt ze. Ze probeert opdrachten te verzinnen waar studenten zelf ook iets aan hebben. Ze legt het belang ervan uit en maakte de opdrachten persoonlijker, meer gericht op wat studenten zelf vinden. Wat valt jou op? Wat heb jij gevonden? “Ik hoop dat dat studenten motiveert om zelf te schrijven”, zegt ze, “maar nog steeds krijg ook ik soms werk terug waarvan ik vermoed dat het door AI is gemaakt.”
AI-geletterdheid
Twee jaar geleden leidde Dreschler met haar collega Abby Gambrel al een workshop met de titel ‘The death of the thesis?’, waarin docenten en deskundigen met elkaar in gesprek gingen over de vraag of de scriptie als academische meesterproef aan vervanging toe is. De belangrijkste conclusie: de meeste docenten zijn aan de scriptie gehecht omdat die de academische criteria het best toetst. Bovendien missen docenten vaak kennis om andere vormen, zoals een documentaire of tentoonstelling goed te kunnen begeleiden en beoordelen.
Aan de VU beslissen docenten zelf of AI-gebruik geoorloofd is bij hun vak. AI-geletterdheid zou een vast onderdeel moeten zijn in het programma, vindt Voogd. Vragen als: wat doet AI wel en niet? Welke gegevens kun je met het oog op de privacy beter niet delen met AI-programma’s? Hoe beoordeel je de kwaliteit van een gegenereerde tekst? “Als je AI op die manier integreert in je onderwijs, leid je uiteindelijk mensen op die de gegenereerde teksten kritisch kunnen beoordelen. Kritisch denken was altijd al een belangrijke academische vaardigheid en dat is met de komst van AI zeker niet minder geworden”, stelt ze.