De Raad voor de Volksgezondheid en Samenleving (RVS) introduceerde vorig jaar een treffende diagnose: Nederland is een ‘hypernerveuze samenleving’ geworden. Prestatiedruk, versnelling en individualisme zetten vooral het welzijn van jongeren onder druk. Dat merken we ook aan universiteiten. Studenten ervaren stress, faalangst en onzekerheid over hun toekomst. Maar waarom zijn juist jonge, hoogopgeleide mensen zo gevoelig voor die druk?
Een deel van het antwoord ligt in een oeroud menselijk mechanisme: statusangst. Daarmee bedoelen we de chronische bezorgdheid over onze sociale positie en de angst niet te voldoen aan de normen voor maatschappelijk succes. Status was voor onze voorouders van levensbelang. Wie gewaardeerd werd door de groep, had betere toegang tot voedsel, bescherming, partners en samenwerking. Mensen ontwikkelden daarom een bijzonder gevoelige psychologische radar voor hun sociale positie.
Alleen maakt die radar tegenwoordig overuren. In recent internationaal onderzoek met een team van gedragswetenschappers bestudeerden we de zogenoemde Oost-Aziatische paradox. Landen als China, Zuid-Korea, Japan, Singapore en Taiwan combineren spectaculaire economische en technologische vooruitgang met extreme werk- en studiedruk, verminderd welzijn en historisch lage geboortecijfers. Onze analyse wijst op statusangst als een belangrijke psychologische schakel tussen materiële vooruitgang en mentale uitputting. Oost-Azië lijkt daarmee misschien minder een exotische uitzondering dan een voorbode van ontwikkelingen die we ook in Nederland zien.
Neem de universiteit. Onze statuspsychologie ontstond in kleine gemeenschappen waarin mensen zich vergeleken met misschien enkele tientallen anderen. Een student vergelijkt zich tegenwoordig met honderden of duizenden leeftijdgenoten. Studiegenoten halen hogere cijfers, lopen prestigieuze stages, hebben bestuursfuncties, beginnen ondernemingen en etaleren hun successen op LinkedIn en Instagram. De smartphone is zo een draagbare statusmeter geworden.
De universiteit versterkt die vergelijking onbedoeld. Studenten worden voortdurend beoordeeld: cijfers, studiepunten, selecties, honoursprogramma’s, stages en, uiteindelijk, de arbeidsmarkt. Zelfs ontspanning kan een investering in het cv worden: een verre reis wordt ‘internationale ervaring’ en vrijwilligerswerk toont maatschappelijke betrokkenheid. Gewoon een tijdje niets bijzonders doen is verdacht geworden.
Statuscompetitie is niet per definitie slecht. De wens om gewaardeerd te worden motiveert ons om te leren, te presteren en iets bij te dragen. Aan universiteiten draait status bovendien vooral om prestige: aanzien verwerven door kennis, talent en expertise in plaats van macht en intimidatie. Dat is een tamelijk beschaafde vorm van competitie.
Maar ook prestigecompetitie kan ontsporen. Als iedereen excellente cijfers, een indrukwekkend cv en een interessante persoonlijkheid moet hebben, verschuift de norm steeds verder omhoog. Wat gisteren bijzonder was, is morgen het minimum. Zo ontstaat diploma-inflatie, cv-inflatie en misschien zelfs persoonlijkheidsinflatie: tegenwoordig moet zelfs jezelf-zijn onderscheidend gebeuren.
Daarom schieten individuele oplossingen zoals mindfulness, coaching en faalangsttraining tekort. Een universiteit zou niet minder ambitieus moeten worden, maar wel meer vormen van status moeten erkennen: nieuwsgierigheid, vakmanschap, samenwerking, betrouwbaarheid, zorg voor anderen en maatschappelijke bijdrage.
Misschien moeten we studenten vooral leren dat een goed leven geen permanente sollicitatieprocedure is. Want zolang de universiteit een stoelendans om status blijft, hoeven we niet verbaasd te zijn als studenten nerveus rondrennen zodra de muziek begint.
Mark van Vugt is VU-hoogleraar evolutionaire en arbeids- en organisatiepsychologie en Mikkel Hofstee is oprichter van bedrijfsgezondheidsbureau Healthguard.