Het Centrum voor Internationale Samenwerking (CIS) is voor sommige faculteiten van grote waarde omdat het beurzen binnenhaalt en een enorm netwerk heeft in landen waar ze dat zelf niet hebben. “Als je CIS nu opheft, krijg je dat nooit meer terug”, zegt ontwikkelingseconoom Lia van Wesenbeeck.
Zeventig jaar geleden begon de voorloper van het CIS als een organisatie die samenwerkte met witte, christelijke universiteiten in Zuid-Afrika. Ze ondersteunde organisaties die zendelingen stuurden naar wat toen nog de derde wereld heette. Zenden veranderde vervolgens in onderwijs geven, daarna in ontwikkelingswerk en nog weer later veranderden de activiteiten in gelijkwaardige samenwerkingen met partners in opkomende landen. Samenwerkingen waar beide partijen beter van werden, zoals ict-projecten in West-Afrika, waarbij de lokale bevolking gemakkelijk toegang kreeg tot informatie over de prijzen van hun gewassen en informatici leerden hoe je systemen bouwt die robuust zijn in allerlei omstandigheden.
Het CIS heeft in die jaren een enorm netwerk opgebouwd in deze opkomende landen, wat een groot voordeel is bij het aanvragen van beurzen met partners uit deze landen, bij samenwerkingen met universiteiten en bij het toekennen van promotieplekken aan mensen uit niet-Westerse landen.
Baten niet meegerekend
Nu is het college van bestuur van plan om CIS op te heffen. Het tekort op de begroting was de afgelopen jaren gemiddeld zo’n 250.000 euro, op een begroting van 1,3 miljoen en een personeelsbestand van 10.5 fte. Maar de manier waarop naar de cijfers wordt gekeken, is niet eerlijk vinden medewerkers van het CIS en daarbuiten: CIS-medewerkers moeten al hun kosten terugverdienen met het binnenhalen van beurzen en subsidies, daaronder vallen de volledige lonen en alle overhead.
“Terwijl CIS ook inkomsten voor faculteiten genereert, die nu niet worden meegerekend in onze baten”, zegt CIS-medewerker Anna Bon. “Als er via ons netwerk een promovendus uit Afrika aan de VU promoveert, krijgt de VU daar 80.000 euro voor, waarvan een flink deel naar de faculteit gaat. Op zich is dat prima, maar zonder ons netwerk was die promovendus er waarschijnlijk niet geweest.”
Ontwikkelingseconoom Lia van Wesenbeeck, die door de jaren veel met CIS heeft samengewerkt, is ook kritisch op deze manier van rekenen: “Je hele loon en alle overhead extern verdienen is veel”, zegt ze, “daarmee wek je de suggestie dat deze groep verder niks bijdraagt aan de VU en dat is absoluut niet waar.” Van Wesenbeeck noemt het raamcontract met het ministerie van Economische Zaken waarin het Amserdam Centre for Wold Food Studies en het CIS samenwerken in een consortium met accountancybedrijf PriceWaterhouseCoopers. “Dat raamcontract hebben we mede gekregen vanwege het uitstekende netwerk van CIS”, vertelt ze, “het houdt in dat wij een van de aangewezen partijen zijn voor projecten van het ministerie op ons expertisegebied.”
Ook vindt Van Wesenbeeck de inhoudelijke keuze die de VU maakt niet consistent: “Maatschappelijke betrokkenheid is een van de speerpunten van de VU en die komt op weinig plekken sterker naar voren dan in het werk dat CIS doet.”
Lokale talen en AI
De kracht – en misschien ook de zwakte – van CIS is dat het instituut altijd samenwerkt met verschillende partijen. CIS vraagt faculteiten of ze willen meewerken aan projecten en vraagt dan beurzen aan en betrekt lokale partners. Zoals bij het project Web for Regreening in Africa bijvoorbeeld, waarbij informatici van de VU jarenlang samenwerkten met partners uit Afrikaanse landen om een informatiesysteem te ontwikkelen voor boeren. Het uiteindelijke doel was vergroening van schrale gebieden en informatietechnologie was het middel om boeren te stimuleren om bomen te planten voor andere doeleinden dan de houtproductie: sheabutter, noten of mango’s bijvoorbeeld. Als boeren op de hoogte zouden zijn van de schommelingen in de prijzen van deze producten, zouden ze beter hun moment kunnen kiezen om te verkopen en dus minder risico lopen.
Informaticus Victor de Boer werkte er met zijn studenten aan mee. “Die boeren hebben geen smartphones, dus we moesten een systeem bouwen dat robuust was en kon draaien op sms. En daarbij moesten we rekening houden met de eigenaardigheden van de gebruikers, dat een flink deel analfabeet is bijvoorbeeld. Dat zijn belangrijke dingen waar je als informaticus overal wat aan hebt: ook mensen op de Zuidas hebben hun eigenaardigheden en als je in Afrika een stabiel systeem kunt bouwen, kun je dat overal.”
De Boer begeleidde ook het promotieonderzoek van Francis Saa Dittoh, die kortgeleden promoveerde op het proefschrift From Radio to AI, over de inzet van informatietechnologie in een Afrikaanse context.
“Razendinteressant is bijvoorbeeld de vraag hoe je AI kunt inzetten voor vertalingen in de lokale talen die die boeren spreken”, vertelt De Boer, “kennis van de lokale context blijkt daarbij essentieel en niet de versiering van een abstract probleem.”
Doodzonde
De afgelopen tien jaar heeft het CIS bijgedragen aan de financiering van 65 promotieplekken aan verschillende VU-faculteiten. Ook heeft CIS geholpen bij de aanvraag van zeven ton aan Erasmus-plusbeurzen (voor studenten en promovendi-uitwisselingen met ontwikkelingslanden). De projectportfolio waaraan het CIS heeft bijgedragen, bedroeg de afgelopen tien jaar 40 miljoen euro. CIS haalde zo’n 14 miljoen euro aan externe financiering op, waarvan 6 miljoen direct ten bate kwam van de faculteiten.
‘Hier gooi je wel heel veel toegevoegde waarde weg voor de VU, ook als je het puur financieel bekijkt’
“Dat er bezuinigd moet worden, weet iedereen in het hoger onderwijs”, zegt Van Wesenbeeck, zelf vicedecaan onderwijs aan de School of Business and Economics, “maar hier gooi je wel heel veel toegevoegde waarde weg voor de VU, ook als je het puur financieel bekijkt.”
Juist in deze tijd is dat niet slim, vindt Van Wesenbeeck: “De internationale verhoudingen zijn aan het veranderen. Amerika zou in de toekomst best eens minder belangrijk voor ons kunnen worden, terwijl de economieën van sommige Afrikaanse en Aziatische landen razendsnel opkomen: Nigeria, Ethiopië en Ghana groeien hard. Sommige Afrikaanse universiteiten halen een internationaal niveau. Wij hebben een Keniaanse promovenda die vanaf het begin volle bak meedraait in onze groep. De VU beschikt over unieke contacten in deze landen, er is een jarenlange vertrouwensband: wij waren er al toen het nog niet zo goed ging. Dat nu weggooien is echt doodzonde.”
De opheffing van het CIS is symbolisch voor de tijd waarin we leven: de VU vindt smenwerking met Defensie belangrijker dan samenwerking met partners in het mondiale Zuiden.
Ik vind deze keuze lastig te begrijpen, zeker gezien de aantoonbare waarde die het CIS voor de VU heeft. Het team beschikt over een uniek internationaal netwerk en essentiële expertise in het opzetten en uitvoeren van complexe internationale projecten, waarin veel VU-medewerkers samenwerken in consortia.
Vanuit mijn eigen ervaring met door het CIS gefaciliteerde projecten heb ik gezien hoe waardevol deze samenwerking is. Deze projecten hebben niet alleen bijgedragen aan concrete ontwikkeling in landen als Nigeria en Indonesië, maar ook aan sterk en impactvol onderzoek. Daarnaast hebben ze extra financiering en inkomsten gegenereerd voor verschillende andere VU-afdelingen. Het voelt alsof we een belangrijke schakel verliezen in het verbinden van internationale samenwerking, kennisontwikkeling en maatschappelijke impact. Dat lijkt lastig te verenigen met de ambities die de VU juist wil realiseren.