“Ingewikkeld”, “overbodig”, “totaal krankjorum” en “hij mag terug de kast in”. Nee, dit gaat niet over een homoseksuele tiener in Staphorst. Deze reacties kwamen los na het uitlekken van een taalgids die rondgaat binnen het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Voor een reeks taaltips die overduidelijk zijn opgesteld met het idee dat niemand er aanstoot aan neemt, is het eigenlijk best ironisch hoe snel dat onbenullige pdf’je landswijd werd verguisd. Voor de goede orde: we hebben het over niet meer dan een conceptuele richtlijn voor wat ambtenaren. En toch reageert onze natie als een meute opstandige tweedeklassers die onverwacht een woordenlijst voor Frans krijgt opgedragen, voor een cijfer.
Het is dus volslagen overbodig om mijzelf als een aasgier nog op zo’n uitgekauwd stuk rood vlees te storten. En toch ga ik het doen. Verlekkerd door adviezen als ‘Jij-dag’ in plaats van Moeder-/Vaderdag, hebben die bloeddorstige roofdieren bij het vermalen van de taalgids namelijk iets over het hoofd gezien.
Het voornaamste uitgangspunt van het document is dat “ieder mens uniek is”. Ik citeer: “We willen mensen niet reduceren tot één eigenschap of groep”. Daarom wordt aangeraden ‘lhbtiq+ personen’ te gebruiken in plaats van ‘lhbtiq+’ers’. In hetzelfde straatje vallen ‘thuiszittende jongeren’ (in plaats van ‘thuiszitters’), ‘personen met handicap’ (in plaats van ‘gehandicapten’), ‘personen die blind zijn’ (in plaats van ‘blinden’) en ‘personen tussen de 62 en 85 jaar oud’ (in plaats van ‘babyboomers’).
Het patroon is duidelijk: zelfstandige naamwoorden ‘reduceren’ al die o zo unieke mensen tot één eigenschap. Dat vind ik een heel bijzondere taalopvatting. Bovendien wordt hij selectief nageleefd door de gids zelf. Die rept onverbolgen over ‘Nederlanders’, ‘schoolbestuurders’, ‘docenten’ en ‘experts’.
Dat onderscheid wringt. Zelfstandige naamwoorden zijn volgens de gids prima, zolang het iets positiefs betreft. Maar jegens gemarginaliseerde groepen zijn ze plotseling kwetsend? Welk signaal geeft dat? “Ik noem je geen lhbtiq+’er hoor, ik wil je niet beledigen!”
Mijn punt is: zulke eufemismen infantiliseren de mensen waarover het gaat. Onder het juk van goede bedoelingen krijgen zij in ons taalverkeer een aparte behandeling. Een behandeling met zijwieltjes en zwembandjes.
Natuurlijk zie ik dat een deel van deze woorden onderwijl ‘besmet’ is geraakt met een nare bijsmaak. Maar is het dan de juiste oplossing om ze taboe te verklaren? Dan wacht deze woorden hetzelfde lot als ‘allochtoon’; ooit gesmeed als neutraal alternatief voor ‘gastarbeider’ of ‘buitenlander’, nu eigendom van het xenofobisch arsenaal.
Laten we onze taal terugveroveren, als een D66-leider die trots met de Nederlandse vlag staat te zwaaien. Willen we minderheidsgroepen écht gelijkwaardig behandelen, dan moeten we ze ook de woorden geven die passen bij een volwaardig, onafhankelijk deel van de samenleving: zelfstandige naamwoorden. Het woord zegt het eigenlijk al.