We moeten ons voorstellen dat er vandaag een belangrijk bedrijfsevenement op de agenda staat. “Denk jij dan bewust na over wat je ’s ochtends aantrekt?” De cursusleider kijkt mij verwachtingsvol aan met een brede Oral-B-grijns. Een beetje zoals die haai uit Finding Nemo zijn tanden ontbloot als hij bloed ruikt.
Natuurlijk richt ze zich uitgerekend tot mij. Als je een cursus effectief netwerken geeft, heb je aan mij een makkelijke prooi. Vandaag draag ik weinig schutkleuren: een paar vertrapte Air Forces en een felgekleurde Teddy Fresh-hoodie die zo vaak in de was is geweest dat het beertjesembleem op mijn linkerborst een beetje kromgetrokken is. De Elmex Preditor neemt het geheel likkebaardend in zich op.
Eigenlijk wil ik haar vraag met een resoluut nee beantwoorden. Zeggen dat het me niks uitmaakt en dat ik mijn comfortabele ruitjesbroek en slobbertruien lekker recalcitrant aantrek wanneer ik maar wil. Zeker op dat hypothetische bedrijfsevenement van haar.
Dat doe ik niet. Ten eerste omdat ik de gepolijste glazuurmuur niet durf tegen te spreken en ten tweede omdat het helemaal niet waar is. Een groot deel van m’n garderobe blijft bewust diep in de kast liggen op kantoordagen. Ik moet wel. Dat ‘werkend Nederland het heeft opgegeven om zich netjes te kleden’, zoals ik laatst las in NRC, is je reinste onzin.
Dat blijkt wel uit het betoog van de wandelende tandartsreclame, zelf gehuld in een oversized blazer en op sneakers zo wit als haar gebit. “Zoals een nette outfit ervoor zorgt dat mensen naar je willen luisteren, kan té informele kleding maken dat je niet serieus wordt genomen”, zegt ze terwijl ze mijn maandagochtendselectie nog eens met een meewarige blik aanschouwt.
Het zijn toneelstukjes. Als je een belangrijke rol wilt spelen, dan dien je je kostuum (lees: colbert/naaldhakken/pantalons) te dragen. Negeer je die regieaanwijzingen op netwerkborrels, sollicitaties of salarisonderhandelingen, ja, dan heb je de afwijzing toch echt aan je eigen, onprofessionele zelf te danken. De fashionwereld is een van de laatste sectoren waar nog naar hartenlust gediscrimineerd mag worden.
Vandaar dat ik een zwak heb voor de universiteitscampus, waar het disproportionele modepolitiegeweld nog geen voet aan de grond heeft gekregen. Het onderwijspersoneel vormt daar met haar apenpakkies de uitzondering op studentenpopulatie die nog rondloopt in kleding die ze – mind blowing – mooi en comfortabel vindt.
En ik weet het. Ooit zal ook deze bontkleurige lappendeken veranderen in pluizige, gemêleerd-grijze tapijttegels onder een systeemplafond. HR-managers zullen hun stropdassen als duimschroeven aandraaien tot ze maatpakken stikken.
Dan vormen veertigplussers met een petje achterstevoren de minderheid. Zij zijn de dappere verzetsstrijders die ons onder het juk van de modeterreur vandaan zullen trekken, hoe triest ze er ook uit zien.