De griffioen spreekt

ACHTERGROND

aanvullende informatie bij artikelen in het magazine en op de site

De griffioen spreekt

Kristien Hemmerechts kruipt in de huid van de Griffioen, fabeldier en VU-logo.

maart 2013 - ter gelegenheid van de campustentoonstelling Verbeelding gezocht!

 

Ik haat het als ze me vragen waarom ik hier ben neergestreken. Uitgerekend hier.

Daarnet nog zo’n brutale meeuw. Hij zag er niet uit met van die vieze troep aan zijn veren en etter in zijn oogjes, maar wel een grote bek. ‘Kom toch mee naar de haven, jongen. Dáár ligt de wereld open voor je. Dáár ontmoet je interessante mensen.’

Ik ben geen jongen. Ik ben ook geen meisje. Ik ben geen Marjolein en ik ben geen Maxim. Zie je van die idiote dingen aan mij bungelen? Zie je uitstulpingen, spleten? Geslachtsorganen, waarde meeuw, zijn voortplantingsorganen, maar ik hoef mij niet voort te planten, omdat ik niet sterf. En ook is er maar één ‘ik’. Voortplanting is niet aan de orde. Er wordt niet voortgeplant.

En dan die duiven! Ze schijten alles vol, maar ze denken dat zij mij een voorbeeld kunnen stellen. ‘Kom toch mee naar de Dam, jongen. Of naar het Spui. Daar hebben ze ook een universiteit. Een veel chiquere! Daar kun je met ‘echte’ professoren converseren!’

Met duiven spreek ik niet. Bij mij is het niet om de haverklap psst psst en weer wat smurrie uit mijn kont. Bah. Ik heb geen aars omdat ik die niet nodig heb. Pissen doe ik ook niet, dank u.

En dan de katten. Ze slijten hun hele leven om en rond een kattenbak, maar ze vergelijken zich met mij. ‘Wij hebben toch een beetje hetzelfde lichaam’, zeggen ze. ‘Qua lichaam behoor jij tot de katachtigen. De felienen.’ Negeren, denk ik. Slecht gedrag moet je negeren.

Helaas heb ik wel oren. Soms wenste ik dat ik die van mijn hoofd kon halen, zoals die kerel in Arles, of was het Avignon. Die man die wat zonnebloemen heeft geschilderd, en ook zo’n gele stoel. Als je daar al beroemd mee kunt worden... Die man dacht: ik snijd mijn oor af en ik hoef het allemaal niet meer te horen.

Dream on, jongen.

Jullie hebben hem voor gek verklaard, maar intussen sta je nog altijd naar die zonnebloemen van hem te gapen. En die stomme stoel.

Ik hoor alles. Jullie gezeur en gezanik, en dat ik een logo moet zijn. Ik mag bestaan, maar als logo. Dat is mijn plek, mijn hok, mijn kooi. Dit is geen dierentuin, hè. Dit is een universiteit. Het verschil is misschien niet altijd duidelijk, maar het is er wel. Als je goed kijkt.

‘We gaan je stileren. We gaan alleen je vleugels overhouden. We gaan het idee griffioen behouden.’

Ik zal eens het idee mens behouden, is dat een idee?

En dat eeuwige fabeltje over die boer die Griffioen heette en die ooit de eigenaar was van het land waarop jullie deze blokkendozen hebben neergezet. De eigenaar van het land! En ook van mij, veronderstel ik? Was hij in jullie hersentjes ook mijn eigenaar?

 

Ik zal jullie vertellen waarom ik ‘uitgerekend’ hier ben neergestreken, en niet op de Dam, of op het Spui of in een tulpenveld of in de tuin van Willem Alexander en Maxima: liefde is al die jaren mijn drijfveer geweest. Domme, banale liefde. Wonderlijke, hartbrekende liefde.

Ik houd van jullie. Al jaren en jaren duurt die liefde.  Ze knaagt aan me, ze houdt me uit de slaap, én ze voedt me. Ze verrukt me.

Ik denk namelijk dat jullie goede mensen zijn. O, jullie doen verschrikkelijke dingen. Goddank kan ik mijn ogen wel sluiten, en hoef ik het niet altijd aan te zien, maar ik weet het allemaal. Ik voel het. Soms lijkt het of jullie geen geheugen hebben. Ik ben blij, hoor, met alle aandacht vandaag voor me, maar jullie lijken het project te zijn vergeten van Irene Janze. Zij heeft me drie jaar geleden uitgebreid bestudeerd.  O, dat was spannend! Wij hadden een bijzonder prettig contact, Irene en ik. Jammer, hoor, dat jullie niet een beetje hebben samengewerkt. Had ik het eerder beseft, dan had ik het voor jullie kunnen regelen. Zelfs een griffioen laat wel eens een steek vallen.

En dan jullie eeuwige gekissebis over budgetten, en wie wat zal betalen, en wie met wie moet worden gefuseerd, en wie mag blijven en wie moet gaan. Dat maakt jullie niet mooier, hoor.

Maar dan altijd opnieuw jullie bereidheid om er tegen aan te gaan. Als iedereen terug is uit vakantie, en als alle zieken genezen zijn, dan, hop, vooruit, laat ons nog eens proberen. Want uiteindelijk trekken jullie allemaal aan hetzelfde zeel. Ken je dat woord, zeel? Dat betekent touw. Je moet jullie erbij voorstellen met de hand op een touw, en daaraan trekken jullie, met vereende krachten, allemaal in dezelfde richting, om een betere wereld te maken. Of in ieder geval een betere universiteit.

Met al jullie pogingen om het beter te maken, maken jullie het soms slechter. En jullie verprutsen wat je cadeau gekregen hebt. Mij, bijvoorbeeld.  Of je blijft ter plaatse trappelen omdat je opnieuw uitvindt wat al lang uitgevonden was. Maar soms doen jullie het ook erg goed, zo goed dat ik me de ogen uitwrijf en denk: wow!

Ik heb jullie al jaren kunnen observeren, en ik wil jullie op deze bijzondere dag, de dag waarop ik met een prachtige tentoonstelling wordt gevierd – dank je, Heleen en dank je, Rudie, want dat hebben jullie echt heel keurig gedaan, wat zeg ik, meer dan keurig, ik hoop echt dat de rotmeeuwen en duiven niet op de doeken komen schijten; maar goed ik wil dus zeggen: ook jullie verdienen een tentoonstelling. Ik zal daarvoor persoonlijk bij het College van Bestuur en de Dienst Communicatie een goed woordje doen. Het zal niet over een nacht ijs gaan, zoals niets hier over een nacht ijs gaat, maar ik heb de tijd. Wij hebben de tijd. Zelfs als jullie mij vandaag niet een beetje in ere hadden hersteld, dan nog vloog ik niet weg. Ik heb wel geen aars, en ik heb geen geslachtsorganen, maar ik heb een hart, een groot en machtig, rustig kloppend hart. Daarin heb ik jullie gesloten voor eeuwig en altijd.

Kristien Hemmerechts, schrijver op locatie en VUsionair
08 maart 2013
hits 1555