Het is begin jaren zeventig als er in Kansas City in Amerika een aantal grootschalige wetenschappelijke studies plaatsvinden naar politiewerk. De centrale vraag: hoeveel invloed hebben verschillende politieactiviteiten — patrouilleren, noodhulp en opsporing — op criminaliteit? In sommige wijken wordt extra politie ingezet, er wordt gemeten hoe snel agenten ter plaatse zijn en er wordt gekeken hoeveel zaken zij oplossen. De uitkomst is schokkend en echoot decennialang na in de wetenschap: geen van de drie activiteiten lijkt een significant effect te hebben.
“De politie belandde in een existentiële crisis,” zegt Verlaan, die eind november promoveerde op de vraag hoe de politie misdaad het beste kan voorkomen. Om de impact van de studie uit 1970 te begrijpen, is het belangrijk onderscheid te maken tussen twee vormen van politiewerk. “Er bestaat proactief en reactief werk,” legt hij uit. “Bij proactief werk probeert de politie criminaliteit te voorkomen, bijvoorbeeld door zichtbaar te patrouilleren. Reactief werk begint pas na een melding: bijvoorbeeld bij een overval, of bij het opsporen van een dader na een inbraak.”
Na de onderzoeken uit de jaren zeventig opperden wetenschappers al snel dat patrouilleren wél effectief kon zijn, mits het gericht werd ingezet. Zo ontstond het idee van ‘hotspots’: plekken waar de kans op criminaliteit groot is. Dat klinkt logisch – om drie uur ’s nachts verwacht je eerder een vechtpartij op het Leidseplein dan in een rustige woonwijk. Volgens Verlaan had deze aanpak inderdaad enig effect. “Dat leidde tot een golf aan studies naar steeds slimmer en gerichter patrouilleren. Tegelijkertijd raakte het reactieve politiewerk volledig uit beeld. De aanname werd: dat werkt toch niet.”
Opmerkelijke ontdekking
Die aanname heeft grote gevolgen gehad. In de afgelopen vijftig jaar is er vrijwel geen experimenteel onderzoek meer gedaan naar reactief politiewerk. Wetenschappers bleven verwijzen naar het onderzoek uit de jaren zeventig – zelfs vijfenvijftig jaar later nog. Maar is dat wel terecht?
‘Zonder bewijs kun je niet zeggen of iets wel of niet werkt’
Juist omdat Verlaan niet is opgeleid als criminoloog, wil hij begrijpen wáárom reactief politiewerk geen effect zou hebben. Hij besluit het oorspronkelijke onderzoek naar noodhulp op te vragen en ontvangt 1500 pagina’s aan gescande documenten. Het onderzoek is geschreven op een typemachine en daardoor niet digitaal doorzoekbaar. Als hij zich er volledig doorheen werkt, stuit Verlaan op iets opmerkelijks.
Mobiele telefoon
De argumenten tegen de effectiviteit van noodhulp bleken sterk verouderd, zo ontdekte Verlaan. “Noodhulp zou hoofdzakelijk niet effectief zijn omdat meer dan de helft van de 911-bellers pas na vijf minuten of langer na het incident de politie belde, waardoor een snelle politierespons weinig zin had.” Wat bleek? Mensen wilden wel eerder bellen, maar moesten eerst op zoek naar een telefooncel of moesten bij iemand aanbellen om een huistelefoon te gebruiken. En wie een verdachte achtervolgde, kon ondertussen simpelweg niet bellen.
Tegenwoordig is dat heel anders, zegt Verlaan. “Iedereen heeft nu een mobiele telefoon. Maar omdat die oude rapporten ergens gescand in een archief liggen en nauwelijks worden geraadpleegd, zijn de conclusies klakkeloos overgenomen.”
Aanvankelijk twijfelt hij aan zijn eigen bevindingen. “Ik dacht: dit kan toch niet, dan mis ik vast iets. Maar ik kon niemand vinden die hier eerder een punt van had gemaakt.” Wat hij wél vindt: voor proactief politiewerk zijn in de loop der jaren zo’n zes nieuwe strategieën ontwikkeld, die elk tientallen keren experimenteel zijn onderzocht. “Het reactieve politiewerk daarentegen is vrijwel nooit experimenteel getest. En zonder dat bewijs kun je simpelweg niet zeggen of iets wel of niet werkt. Toch is dat precies wat er gebeurt,” zegt Verlaan. “We nemen aan dat reactief politiewerk geen effect heeft – niet op basis van actueel bewijs, maar op conclusies uit een totaal andere tijd.”
De wijk in
Ook bij de politie in Nederland ligt volgens Verlaan de nadruk de afgelopen jaren steeds meer op proactief politiewerk: zichtbaar aanwezig zijn in de wijk, contact leggen met bewoners en problemen vroeg signaleren. “In de strategische agenda van de politie,” zegt hij, “zie je dat ze vinden dat ze te veel tijd kwijt zijn met incidentafhandeling en dat ze meer aanwezig willen zijn in de wijk.”
Maar of die focus verstandig is, is volgens Verlaan nog maar de vraag. Uit cijfers van EenVandaag blijkt dat de helft van de mensen al geen aangifte meer doet bij criminaliteit. Van de mensen die dat nog wel doen, hoort veertig procent nooit meer iets terug van de politie en krijgt dertig procent direct te horen dat er niets met de aangifte wordt gedaan. “Ik vind dat kwalijk,” zegt Verlaan. “Dat mensen een drempel overgaan, de moeite nemen om de politie te vertellen wat er is gebeurd en dat de politie daar nooit op terugkomt.”
Volgens hem wringt dat met het idee van nabijheid en vertrouwen. “De politie wil proactief naar de mensen toe en dat mensen de politie gaan vertrouwen,” zegt hij. “Maar aan de andere kant doet de politie weinig als mensen naar ze toe komen. Dat is paradoxaal.”
Experiment in Haarlemmerbuurt
Om te onderzoeken wat extra politie-inzet in Nederland daadwerkelijk oplevert, zet Verlaan samen met de politie een experimenteel onderzoek in de Haarlemmerbuurt op. Gedurende vier maanden zijn er zo’n vier tot vijf keer meer agenten aanwezig in een gebied rond de Haarlemmerstraat, -dijk en het Haarlemmerplein.
AT5-documentaire
Omroep AT5 maakte eerder dit jaar de documentaire Blauw op Straat over het experiment van Tim Verlaan en de politie. Hierin worden agenten gevolgd die meedoen aan het onderzoek in de Haarlemmerbuurt.
Verrassend genoeg werd die inzet nauwelijks opgemerkt door buurtbewoners. Slechts acht procent merkte dat de politie vaker aanwezig was. “Dat is echt heel weinig,” aldus Verlaan. “Zelfs als je twee keer zoveel agenten zou aannemen, dan is dat nog minder dan wat wij hebben gerealiseerd – en nog steeds merkt bijna niemand het op.
Wat betreft misdaadcijfers leek de maatregel wel effect te hebben: de criminaliteit daalde lokaal met 23 procent en de overlast met 17 procent. Maar dat effect bleek beperkt tot de buurt zelf. In omliggende wijken nam de criminaliteit en overlast juist toe. “Dat is wat de politie het waterbedeffect noemt,” zegt Verlaan. “Problemen verdwijnen niet, maar verplaatsen zich.”

Negatiever beeld van politie
Het meest verrassend waren de uitkomsten over de percepties van buurtbewoners. In vergelijking met een controlebuurt dachten bewoners uit de Haarlemmerbuurt na afloop minder positief over de politie in het algemeen, over de gemeente en over de veiligheid in de buurt. “Alle drie lieten ze het omgekeerde effect zien van wat we hadden verwacht,” zegt Verlaan.
Hoe dat precies komt, durft Verlaan niet met zekerheid te zeggen. “We waren verrast, omdat bijna niemand van de bewoners de extra politie leek te hebben opgemerkt.” Volgens Verlaan spelen lokale verhalen en sentimenten waarschijnlijk een grote rol. “Soms heb je een soort lokaal narratief in een buurt waarbij mensen elkaar aansteken, bijvoorbeeld dat de veiligheid in de buurt achteruitgaat. Zo’n narratief is soms sterker dan de objectieve werkelijkheid: de buurt zelf werd veiliger, maar dat werd niet zo ervaren.”
Begin bij aangiftes
Wat moeten politie en politiek met deze resultaten? Allereerst pleit Verlaan voor meer onderzoek naar reactief politiewerk. “Daar besteedt de politie ongeveer een derde van haar tijd aan, terwijl we helemaal niet weten of het werkt. Zonder bewijs blijft beleid vooral gebaseerd op aannames, en niet op wat daadwerkelijk helpt.”
Verder is het volgens Verlaan te simpel om te blijven roepen om ‘meer blauw op straat’. “Met die kreet agendeert de politiek niet een probleem, maar een oplossing,” zegt hij. “En dat is best vreemd.”
Zijn advies is concreet: begin bij de mensen die al aankloppen. “Als je meer connectie wil met de burger, dan is volgens mij een hele goede plek om te beginnen bij de mensen die naar je toe komen om iets te melden,” zegt Verlaan. “En als je dat op dit moment nog niet op orde hebt, dan zou ik daar beginnen.”
Tim Verlaan promoveerde 19 november op zijn proefschrift ‘Re-evaluating Reactive Policing: A Minority Report’