Vrouwen uit een minderheidsgroep hebben andere issues dan mannen uit dezelfde minderheidsgroep. Ze hebben ook andere issues dan vrouwen die niet tot een minderheid behoren. Emancipatiebeleid dat gericht is op vrouwen in het algemeen of op minderheden in het algemeen bereikt hen vaak niet. Specifieke groepen hebben specifieke dingen nodig en beleid dat gelijkheid bevordert zou dus juist heel specifiek moeten zijn. Dat is de belangrijkste conclusie van de snelcursus over intersectionaliteit van socioloog Ismintha Waldring op het Women’s Day Event van 9 maart op de VU.
Dubbele achterstand
Er zijn verschillende factoren die mensen een achterstand of juist een voorsprong geven in de maatschappij. Sekse is daar één van, etnische afkomst ook, evenals opleidingsniveau, gezondheid en leeftijd. In de praktijk zijn vaak verschillende van dit soort ‘hokjes’ op mensen van toepassing. Intersectionaliteit houdt in dat je onderzoekt wat de specifieke behoeften zijn van mensen in een specifieke groep: oudere vrouwen met een fysieke handicap bijvoorbeeld, of jonge mannen met een lage opleiding en overgewicht.
Vaak worden vrouwen die een dubbele achterstand hebben over het hoofd gezien, gewoonweg omdat het frame ontbreekt om ze te zien. Waldring liet een TED-talk zien waarin aan het publiek gevraagd werd of ze de namen herkenden van een aantal Afro-Amerikaanse slachtoffers van politiegeweld. Het publiek herkent de meeste namen van mannelijke slachtoffers wel, maar bijna geen van de namen van vrouwelijke slachtoffers. Ons dominante beeld van slachtoffers van politiegeweld is dat het mannen zijn en omdat we door die lens kijken, vallen de vrouwen onder de slachtoffers amper op. Intersectionaliteit wijst je op groepen en dynamieken die anders onzichtbaar blijven.
Ik hoor hier niet
Ook in de universitaire wereld, waar vrouwen op achterstand staan (inmiddels ligt het aandeel vrouwelijke hoogleraren in Nederland rond de dertig procent), staan vrouwen uit minderheden dubbel op achterstand. “Ik zie nooit een rolmodel van een hoogleraar die eruitziet zoals ik”, zei een vrouwelijke promovendus van Indiase komaf, “en dat geeft me impliciet de boodschap dat ik hier niet thuishoor.” Die opmerking was herkenbaar voor veel van de aanwezigen.
“Richt je eigen internationale tijdschrift op”, was een tip van filosofiehoogleraar Monika Kirloskar-Steinbach, “daarmee creëer je je eigen netwerk en ben je minder afhankelijk van publicaties in de Europese tijdschriften.”
“Blijf beseffen dat je als mens meer bent dan je academische carrière, maak tijd voor plezier, om te lachen en te dansen”, zei Amisah Bakuri, universitair docent bij Religie en Theologie. Er was ook cynisme: “Dit soort bijeenkomsten zijn goed, iedereen gaat geïnspireerd naar huis, maar er komt zo vaak niks uit”, zei een van de aanwezigen, “we hebben allemaal ideeën en komen over drie jaar weer bij elkaar om te constateren dat er weinig is veranderd.”
“Dat is waarom ik soms nee zeg tegen weer een emancipatiegroep”, gaf Bakuri toe. “Ze willen mij vaak als gezicht, het kost een heleboel energie en uiteindelijk gebeurt er weinig.”
Ruimte maken
Waar zou die verandering dan moeten plaatsvinden? Dragen onze toch al overwerkte docenten de verantwoordelijkheid voor een inclusieve universiteit? Het was een van de vragen die eerder op de middag werd gesteld in de workshop over inclusief onderwijs van het Center for Teaching and Learning (CTL). De meerderheid van de aanwezigen vond van wel.
Selin Çakmak en Ermelinda Jaku van CTL lieten het publiek een herinnering terughalen aan een onderwijssituatie waarin ze zich begrepen voelden. Daarna was de vraag wat deze ervaring inclusief maakte, en kregen deelnemers de opdracht een gek idee te bedenken van hoe je onderwijs inclusiever kunt maken. Het was een goed voorbeeld van practice what you preach: de ervaringen van iedereen telden mee en werden daarna omgezet in ideeën.
Een algemene observatie was dat inclusiviteit niet betekent dat je als docent alle hokjes van het lhbti-spectrum uit je hoofd hoeft te kennen om inclusief te zijn, openstaan voor de specifieke ervaringen van je studenten is het belangrijkst. “Soms is het juist belangrijk om als docent te zeggen: ik weet het niet, wat is jullie ervaring? Ook op die manier maak je ruimte”, zei een van de aanwezigen.
Inclusiviteit ≠ neutraliteit
Dat er op de VU nog een boel te verbeteren valt op het gebied van inclusiviteit, bleek ook uit de opmerkingen van het studentenpanel: “Probeer op de VU-site maar eens te vinden waar je een ervaring van sociale onveiligheid kunt melden, ik wens je veel succes”, zei een SRVU-vertegenwoordiger. “Juist dat de VU zo extreem haar best doet om neutraal te zijn, heeft tot gevolg dat sommige van onze leden zich ongezien en ongesteund voelen”, stelde de vertegenwoordiger van VU Pride. Inclusiviteit is niet hetzelfde als neutraliteit, in sommige gevallen betekent het juist dat je je wel uitspreekt om op te komen voor de rechten van een gediscrimineerde groep of persoon.
Terug naar de cijfers: uit onderzoek blijkt dat mannelijke studenten twee keer zo vaak cum laude promoveren als vrouwen zonder dat er inhoudelijk kwaliteitsverschil wordt gevonden. Zo’n judicium heeft grote gevolgen voor je latere academische carrière en zolang die verschillen er zijn, zijn bijeenkomsten als deze nodig om daar vraagtekens bij te zetten.