Onafhankelijke journalistiek over de Vrije Universiteit Amsterdam | Sinds 1953
22 februari 2024

Wetenschap
& Onderwijs

Oproep: ‘Benoem 200 vrouwen extra tot hoogleraar’

In 2036 moeten er evenveel mannelijke als vrouwelijke hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten werken, staat in de nieuwe Monitor vrouwelijke hoogleraren. Maar dat gaat niet vanzelf.

Er werken nog altijd veel minder vrouwelijke dan mannelijke hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten: slechts 27,6 procent is vrouw. En dit jaar is het aandeel vrouwen met slechts 0,9 procent toegenomen, bleek afgelopen september.

De nieuwe monitor van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH), die vandaag uitkomt, bevestigt dat. In dit tempo zou het meer dan twintig jaar duren voordat er evenveel vrouwen als mannen hoogleraar zijn.

Impuls

Nog maar kort geleden ging het sneller. Universiteiten werden in 2017 aangemoedigd om honderd vrouwen extra tot hoogleraar te bevorderen met de zogeheten Westerdijkimpuls. Daar had het ministerie vijf miljoen euro voor uitgetrokken: 50 duizend euro per benoeming.

Bovendien moesten de universiteiten hun eigen streefcijfers voor 2020 ook halen, anders moesten ze dat geld weer terugbetalen en dat zou gênant zijn. Zo zette de toenmalige minister Jet Bussemaker de universiteiten voor het blok.

Sindsdien is het tempo dus weer ingezakt en dat is tegen het zere been van het LNVH en de invloedrijke actiegroep Athena’s Angels. Ze doen een oproep voor een nieuw streven: evenveel vrouwelijke als mannelijke hoogleraren in 2036.

‘Klaar in 400 jaar’

“Dat is 400 jaar nadat de eerste vrouwelijke student, Anna Maria van Schurman, werd toegelaten aan een Nederlandse universiteit”, staat in de monitor. “Om dat te bereiken moeten er de komende tijd 200 extra vrouwelijke hoogleraren worden benoemd.”

Dat zouden er dus tot 2036 tweehonderd meer zijn dan nu verwacht. De slogan luidt: ‘Klaar in 400 jaar’. Er liepen al gesprekken over de ‘Anna Maria van Schurman Impuls’, staat in de monitor, maar die zijn afgebroken toen het kabinet viel.

Het moet wel anders dan bij de vorige impuls, noteert de LNVH. “Een versnelde benoeming van een grote groep vrouwelijke hoogleraren leidt tot het leegvissen van de onderliggende functiecategorie. Er dient dus gelijktijdig aandacht te worden besteed aan het bevorderen van vrouwelijke universitair docenten naar universitair hoofddocent.”

Overigens krijgen vrouwelijke hoogleraren over het algemeen minder salaris dan mannelijke hoogleraren. Van de mannen zit 36 procent in de hoogste salarisschalen, tegen 21 procent van de vrouwen.

Leiding

In de monitor staan ook hoofdstukken over vrouwen in bestuurlijke posities aan de universiteiten. Het percentage vrouwelijke decanen is de afgelopen vijf jaar bijvoorbeeld meer dan verdubbeld van 15 naar 34 procent. In de colleges van bestuur bezetten vrouwen 18 van de 41 posities (tegen 14 vrouwen in 2018).

Opvallend is het verschil tussen onderzoek en onderwijs. Slechts één op de vier directeuren van onderzoeksinstituten is een vrouw. Dat ligt anders bij instituten voor onderwijs: die hebben in meer dan de helft van de gevallen een vrouw aan het roer.

Één reactie

  1. “evenveel vrouwelijke als mannelijke hoogleraren in 2036” of enig ander jaar lijkt geen nastrevenswaardig doel. Het zou hooguit een gevolg kunnen zijn van het wegnemen van eventuele ongerechtvaardigde belemmeringen voor vrouwen om hoogleraar te worden. De denkfout die hieraan ten grondslag licht is de “Normative Assumption of Zero Inequality-baseline.”. Deze theorie gaat er van uit dat als een bepaalde groep oververtegenwoordigd is in een begeerde functie, dat zonder meer bewijst dat de ondervertegenwoordigde groep ongerechtvaardigd wordt achtergesteld door de oververtegenwoordigde groep én dat die achterstelling de verklaring is voor die onder- en overtegenwordiging. Populair gezgd: aan de juiste stelling dat het enkele feit dat iemand man of vrouw, jood of ariër is, niets hoort uit te maken voor de benoembaarheid als hoogleraar wordt ten onrechte de gevolgtrekking verbonden dat een oververtegenwoordiging van mannelijke hoogleraren met ruim 46% in het huidige Nederland of van Joodse hoogleraren met ruim 4000% in het Duitsland van de jaren twintig (inschatting op basis van Waldinger, Fabian (2010) Quality matters: the expulsion of professors and the consequences forPhD student outcomes in Nazi Germany. Journal of Political Economy, 118 (4). pp. 787-831.ISSN 0022-3808) noodzakelijkerwijs zowel het bewijs van discriminatie van vrouwelijke en Arische kandidaten vormt als van het resultaat van die vermeende discriminatie. Een tegenwerping tegen kritiek op deze theorie is dat het hier verschillende gevallen betreft omdat een kleine minderheid als de Joden (minder dan 1% van de toenmalige Duitse bevolking toch niet tot discriminatie van de meerderheid in staat zou zijn. Die tegenwerping is onjuist: op het moment dat geaccepteerd wordt dat de overwertegenwoordiging van Joodse hoogleraren op zich zelf geen bewijs van de discriminatie van Ariërs is en dat de oververtegenwoordiging ook verklaard zou kunnen worden door dat de kwaliteiten van die latere Joodse hoogleraren, die ook zonder discriminatie van Arische kanidaten en zelfs in weerwil van antisemitische discriminatie, toch tot hun benoeming heeft geleid, moet logischerwijs ook geaccepteerd worden dat dat ook de verklaring van de oververtegenwoordiging van mannelijke hoogleraren zou kunnen zijn. Dat betekent niet dat discriminatie geen verklaring kan zijn van oververtegenwoordiging (niet zo’n waarschijnlijke, want nadat een functie eenmaal openstaat , is de competitie vooral inhoudelijk iedereen wil een potentiële nobelprijswinnar binnenhalen, of anders iemand die erg slim is, wat wel blijkt uit het feit dat zij of hij (J/A) er de zelfde ideeën als de commissieleden op na houdt en hun favourite theorieën volgt) maar zowel die discriminatie als het feit dat die nog te bewijzen discriminatie de oorzaak van de oververtegenwoordiging is, moeten wel – en afzonderlijk van elkaar – worden bewezen. Als een commisielid bewust een niet relevant kriterium aanlegt voor benoemingen, dan is hij of zij niet geschikt voor die functied. Vermeende onbewusten vooroordelen zzouden ook fout zijn, maar die worden meestal alleen afgeleid uit het selectieresultaat en de frustaties van de afgewezen kanidaat (ik ben alleen maar afgewezen omdat ik vrouw/Ariër ben”voelt veel prettiger dan “blijkbaar beoordeelde de commissie mij niet als de beste kanidaat, volgende keer hopelijk beter” terwijl de meeste mannelijke en Joodse kanidaten ook worden afgewezen ). Het selecteren van kanidaten op irrelevante factoren als sexe of ras is oneerlijk en leidt tot de benoeming van minder gekwalificeerde hoogleraren (zie Hoogleraarbenoemingen in Nederland(m/v) Mythen, feiten en aanbevelingen, dr. Marieke van den Brink, Radboud Universiteit Nijmegen, maart 2011, voor een onbedoeld fraai overzicht van de drogredenen en cirkelredeneringen die in dit verband worden aangevoerd)

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. Reacties met url’s erin worden vaak aangezien voor spam en dan verwijderd. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Velden met een * zijn verplicht
** je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en delen we niet met derden. We gebruiken het alleen als we contact met je zouden willen opnemen over je reactie. Zie ook ons privacybeleid.