Vlak na de laatste deadlines van het afgelopen blok vertrokken studenten en docenten van de masteropleiding International Crimes, Conflict and Criminology naar Sarajevo in Bosnië voor een studiereis van een week. Naast de verhalen over grootschalige wreedheden en de uitdagingen van de overgangsfase na de Bosnische Burgeroorlog van 1992 tot 1995, ontdekten we dat de tegenstellingen die de oorlog hadden ontketend, hem ook in stand hielden en dertig jaar later nog steeds bestaan.
Het hele jaar door hebben de studenten van deze master zich vanuit verschillende wetenschappelijke invalshoeken verdiept in grootschalige wreedheden en internationale misdrijven. De oorlogen in Joegoslavië en de genocide in Srebrenica dienden als praktijkvoorbeelden voor ons leerproces. De studiereis naar hoofdstad Sarajevo was voor de deelnemende studenten een verrijkende en verhelderende ervaring. Zo konden ze kennisnemen van de vastgestelde feiten over het geweld tussen 1992 en 1995, en ervaren hoe de historische verhalen die buiten het vredesakkoord om de ronde doen, actief worden betwist.
Een stad van helden
Het Dayton-Akkoord, dat op 21 november 1995 werd ondertekend door de presidenten van Bosnië en Herzegovina, Kroatië en Servië, maakte een eind aan de conflicten. Maar voor vrede is meer nodig, zo werd ons verteld door de deskundigen die wij ontmoetten. Hoewel de wapens die winter officieel werden neergelegd en de legercommandanten hun soldaten terugtrokken van het slagveld, zijn de sporen van de oorlog nog steeds zichtbaar: kogelgaten in de huizen, muurschilderingen van veroordeelde oorlogsmisdadigers en tegenstrijdige historische narratieven die het land nog steeds verdelen.

Dat werd al meteen duidelijk op de eerste dag, toen we verschillende steden bezochten in de Republika Srpska, een van de twee confederale entiteiten waaruit Bosnië en Herzegovina bestaat. Met onze gids Adnan, een veteraan van het leger van de Republiek Bosnië en Herzegovina, verlieten we de hoofdstad en trokken we naar kleinere plaatsen waar de invloed van de Bosnische Serviërs steeds duidelijker werd. Langs de wegen en boven op gebouwen in de stad wapperden Servische vlaggen, wat erop duidde dat we een heel andere wereld betraden. Toen we met onze bus Kalinovik binnenreden, zagen we een muurschildering van de veroordeelde oorlogsmisdadiger Ratko Mladić, met daarnaast een Servische vlag. Deze had een prominente plek gekregen in de geboorteplaats van de voormalige legerofficier. In het centrum van de ‘Stad van de Helden’ waakte een imposant standbeeld van Mladić over de gedenkplaats. De muurschildering vertegenwoordigt een bepaald narratief, namelijk dat Mladić geen pleger van genocide is, maar een ‘verdediger’ en held. Meer dan dertig jaar na het einde van de oorlog duiden dergelijke voorstellingen op het voortbestaan van alternatieve historische waarheden; wat internationaal als genocide wordt erkend en wettelijk is vastgelegd, wordt in lokale contexten in een ander perspectief gezet, gebagatelliseerd of ronduit verworpen.
Verlaten hotels kregen andere functie
Misschien wel de meest opvallende tegenstrijdigheden op die dag werden zichtbaar tijdens ons bezoek aan Miljevina en Višegrad. In beide steden werden hotels tijdens de oorlog gebruikt voor martelingen en seksueel geweld tegen Bosniakse mannen en vrouwen – een overwegend islamitische bevolkingsgroep in Bosnië. In Miljevina staan alleen nog de muren van het hotel overeind, met overal in het gebouw gebroken glas en graffiti. Zonder een bord of gedenkplaat die herinnert aan de gepleegde misdaden, zou dit gebouw gemakkelijk kunnen worden gezien als een willekeurig verlaten pand of een overblijfsel uit economisch slechte tijden, in plaats van een plek waar gruweldaden hebben plaatsgevonden.

In Višegrad diende het kuurhotel Vilina Vlas eveneens als locatie waar Bosniakse burgers werden vastgehouden, gemarteld en blootgesteld aan systematisch seksueel geweld. Toen onze bus het gebouw naderde, zei onze gids dat we konden uitstappen om de omgeving te verkennen. Hijzelf koos ervoor om in de bus te blijven. Hij had zichtbaar geen behoefte om terug te keren naar de plek waar zoveel geweld had plaatsgevonden. Ondanks het feit dat Vilina Vlas tijdens de oorlog een van de belangrijkste verkrachtingslocaties was, is het kuuroord momenteel gewoon in gebruik. De gasten zwemmen in het zwembad waarin vroeger lijken dreven, en slapen in dezelfde bedden waar Bosniakse vrouwen en meisjes werden verkracht. Hieruit blijkt hoezeer het verleden hier nog wordt ontkend. Toen ik bij de trap naar de ingang stond om foto’s te maken, kwam er een man naar buiten om een sigaret te roken. Ik keek hem aan en hij glimlachte terug, en ik vroeg me af of hij wist wat de vrouwen en meisjes in dit hotel was overkomen en of het hem wat deed. Ook hier geen gedenkplaat ter nagedachtenis aan de slachtoffers. Geen erkenning van de gruweldaden die hier zijn begaan, maar ultieme ontkenning.
Diepgewortelde tegenstellingen
Met de vraag of het gebrek aan aandacht in de Republika Srpska voor de Bosniakse slachtoffers wordt veroorzaakt door een drang om te vergeten of door actieve ontkenning, bezochten we de volgende dag de missie van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Bosnië en Herzegovina. Wat een presentatie van een uur had moeten worden, mondde uit in een drie uur durend openhartig gesprek over de uitdagingen van overgangsjustitie in post-conflictsituaties in een land dat worstelt om het gewelddadige verleden achter zich te laten.
De OVSE is met 57 deelnemende staten de grootste regionale veiligheidsorganisatie ter wereld en werd in 1973 (toen nog CVSE) opgericht om tijdens de Koude Oorlog als multilaterale ‘brug’ tussen Oost en West te fungeren. De OVSE bevordert alomvattende veiligheid door middel van – vaak stille – diplomatie en voert haar werkzaamheden uit vanuit haar secretariaat in Wenen (Oostenrijk), op basis van diverse mandaten, terwijl zij haar invloed uitbreidt via haar veldmissies in voornamelijk (Zuid-)Oost-Europa en Centraal-Azië.
De OVSE-missie in Bosnië en Herzegovina werkt op basis van het mandaat dat is vastgelegd in het Dayton-akkoord. Dit akkoord maakte een einde aan de oorlog en legde het grondwettelijk fundament van het land. De grondwet van Bosnië bestaat niet als een op zichzelf staand document, maar als een bijlage – Bijlage 4 – die in het vredesakkoord zelf is opgenomen. In die zin is het grondwettelijk bestaan van het land zelf ondergeschikt aan de voorwaarden van het akkoord waarmee het conflict werd beëindigd, wat ons eraan herinnert dat Bosnië en Herzegovina niet zozeer is opgezet als een samenhangend politiek project, maar is uitonderhandeld als compromis tussen de strijdende partijen. Deze regeling is een afspiegeling van de omstandigheden waaronder ze tot stand is gekomen: een akkoord tussen partijen die elkaar nauwelijks vertrouwen en die tegenstrijdige visies op het land hebben. Hoewel men er met dit akkoord in is geslaagd het geweld een halt toe te roepen, heeft het ook de politieke verdeeldheid tussen de entiteiten versterkt, waardoor een gefragmenteerd systeem is ontstaan waarin samenwerking weliswaar noodzakelijk is, maar zelden soepel verloopt.
Barrière tegen politieke wil
Het creëren van vertrouwen – de ultieme voorwaarde voor duurzame vrede – is een enorme uitdaging in post-conflictsituaties; bevooroordeelde narratieven die de ‘andere partij’ in een negatief daglicht stellen, werpen een barrière op die politieke wil in de weg staat. Het tripartiete leiderschap van het land, waarin vertegenwoordigers van de Bosniakken, Serviërs en Kroaten zitting hebben, is zelfs voor het dagelijks bestuur aangewezen op compromissen. Toch raken in de praktijk zelfs relatief onomstreden beleidskwesties gepolitiseerd langs etnisch-nationalistische scheidslijnen, aangezien leiders vaak meer politieke winst behalen door tegenwerking dan door samenwerking. Op deze manier zorgen de institutionele afspraken die bedoeld zijn om vrede te waarborgen er juist voor dat de verdeeldheid blijft voortbestaan, waardoor het moeilijk is om vertrouwen op te bouwen.
De OVSE-adviseurs benadrukten dat er ook buiten de uitvoerende macht vertrouwen moet worden opgebouwd, met name in sectoren als het onderwijs en de rechterlijke macht. Op Bosnische scholen is de fragmentatie schrijnend: met meer dan tien ministeries van Onderwijs is er geen uniform leerplan, en krijgen kinderen fundamenteel verschillende versies onderwezen van de geschiedenis, de grenzen en het oorlogsverleden van het land. Deze naast elkaar bestaande verhalen leiden tot uiteenlopende collectieve herinneringen. En als er geen gemeenschappelijke basis van feiten is, komt men moeilijk tot een dialoog.
Tegelijkertijd ondermijnt de trage en onevenwichtige vervolging van oorlogsmisdaden het vertrouwen nog verder. Rechtszaken worden gekenmerkt door jarenlange vertragingen en tegenstrijdige straffen, en worden vaak gezien als selectief of politiek gemotiveerd. Als gemeenschappen zien dat ‘hun’ daders worden gestraft terwijl anderen ongestraft blijven, worden de wrokgevoelens juist versterkt in plaats van weggenomen. De adviseurs merkten op dat een onevenwichtige verantwoordingsplicht verdeeldheid in de hand werkt. De achterstanden in de rechtspraak als gevolg van een overbelast rechtssysteem roepen de vraag op of gerechtigheid (alleen) via juridische sancties kan worden bereikt.
Juichen voor Italië
Maar diezelfde middag werden we geconfronteerd met een heel ander perspectief. Genocidedeskundige Hikmet Karčić beschouwt Bosnië en Herzegovina in zekere zin als een ‘model’ voor verzoening na een conflict. Zijn argumentatie lijkt te berusten op een beperktere definitie van verzoening: de afwezigheid van nieuw grootschalig geweld en het vermogen van voormalige tegenstanders om naast elkaar te kunnen leven. Volgens deze maatstaf heeft Bosnië een broze vorm van stabiliteit bereikt, ook al blijft een diepere sociale samenhang voorlopig buiten bereik.
Volgens de OVSE-adviseurs is deze kwetsbaarheid nu juist het probleem. Het ontbreken van een verenigde politieke gemeenschap komt op de meest onverwachte plekken naar voren, zelfs in de sport. Die avond moest Bosnië en Herzegovina tegen Italië spelen in de finale van de play-offs voor het WK. De OVSE kreeg meldingen dat een deel van het land voor de Italianen was.
Enkele uren later werd dit narratief in Sarajevo weersproken. Na een nagelbijtende penaltyserie kwam Bosnië en Herzegovina als winnaar uit de bus. De stad ontplofte. De straten stroomden vol met mensen die zich in vlaggen hadden gehuld, het getoeter van auto’s was tot ver in de nacht te horen, en de menigte scandeerde: “I am from Bosnia, take me to America”. Even leek de verdeeldheid waarover we het de hele dag hadden gehad, op te lossen in een gezamenlijke vreugde. Maar zelfs toen bleef de vraag hangen: aangezien Sarajevo voornamelijk door Bosniakken wordt bevolkt, zouden er in steden in de Republika Srpska dezelfde geluiden klinken? Terwijl ik op het drukbezochte plein stond te wachten tot de spelers zouden arriveren, vroeg ik twee fans, Kenna en Din, of het hele land deze overwinning gemeenschappelijk zou kunnen vieren. Er viel een korte stilte voordat het antwoord kwam: “Dat hoop ik.”
Spookstad
Op de laatste dag van het programma vertrokken we naar Srebrenica, de stad in Oost-Bosnië waar de genocide op de Bosniakse bevolking officieel is erkend. Toen we door de indrukwekkende blauwe bergkloven reden die het landschap doorsneden, stond de natuurlijke schoonheid in schril contrast met wat hier in het verleden heeft plaatsgevonden. De wegen die we volgden en de heuvels waar we langs reden waren getuige geweest van onvoorstelbare wreedheden.

Srebrenica zelf is een spookstad. Het aantal graven ter nagedachtenis aan de ruim 8.000 Bosniakse mannen en jongens die door het Bosnisch-Servische leger zijn vermoord, overstijgt het aantal mensen dat er tegenwoordig woont. Aangezien veel gezinnen ontheemd zijn geraakt of zijn vermoord, staan talloze huizen leeg. Achter de met kogelgaten doorzeefde gevels is het stil; er is niemand meer om naar terug te keren of de woningen te erven. De meeste van deze vernielingen zijn een overblijfsel van de oorlog, maar elk jaar op 12 juli, de dag na de Internationale Dag van Bezinning en Herdenking, rijden radicale Bosnisch-Servische fanatici door de stad en zwaaien met Servische vlaggen, zingen nationalistische liederen en schieten op de huizen waarvan ze weten dat ze van Bosniakken zijn. Voor velen hier herinneren deze daden er jaarlijks aan dat de strijd om het verleden nog altijd voortduurt.
Zelfs in het herdenkingscentrum, waar bezoekers in de voormalige batterijfabriek, die tijdens de moordpartijen als basis diende voor het Nederlandse bataljon, verschillende tentoonstellingen kunnen bekijken, zijn de meningsverschillen over de geschiedenis zichtbaar. De permanente tentoonstelling ‘Het falen van de internationale gemeenschap’, mede gefinancierd en mede opgezet door de Nederlandse overheid, wijt de genocide aan de bureaucratische verlamming binnen de NAVO. Sommigen stellen echter dat daarmee de verantwoordelijkheid wordt afgeschoven op een abstract systeem in plaats van op de personen die hebben nagelaten de Bosniakse burgers te beschermen. Vlak ernaast leggen de nieuwere (door Turkije gefinancierde) tentoonstellingen de nadruk op iets anders. Ze brengen de verhalen van de slachtoffers in beeld aan de hand van foto’s, korte documentaires en persoonlijke bezittingen, waaronder de teruggevonden schoenen van enkele vermoorde Bosniakse burgers. Dertig jaar later is de verantwoordingskwestie nog steeds zo’n omstreden onderwerp dat zelfs hier, bij het monument, maar weinigen het erover eens zijn waar de verantwoordelijkheid werkelijk ligt en wie er herdacht moet worden.
De Bosnische masterclass
Wat ons is bijgebleven, naast nieuwe ervaringen en kennis over Bosnië en Herzegovina, waren aloude vragen over wat ‘vrede’ betekent in een samenleving na een conflict, en hoe kwetsbaar die vrede kan blijven. In Sarajevo, de Republika Srpska en Srebrenica toonde het naoorlogse landschap in Bosnië dat de overgang van oorlog naar vrede zelden een lineair proces is. Conflicterende visies op de geschiedenis en het beperkende Dayton-kader zorgen ervoor dat de onderliggende politieke en maatschappelijke verdeeldheid in het land steeds wordt versterkt.
Deze spanningen blijven duidelijk zichtbaar en beïnvloeden alle lagen van de sociale werkelijkheid. Ze zijn onderdeel van het dagelijks leven.
Het is belangrijk om ons te verzetten tegen simplistische narratieven
We deelden schotels met burek en ćevapi in de oude binnenstad van Sarajevo, hoorden kerkklokken en de Adhan uit moskeeën door elkaar klinken, en zongen karaoke met Adnan in de bus op de terugweg vanuit het oostelijke deel van Bosnië, een gebied getekend door de verschrikkingen die er plaatsvonden. Juist deze combinatie van verscheurdheid en normaliteit, van verdeeldheid en samenleven, maakte de reis zo boeiend. Bosnië en Herzegovina is zowel een model van vrede als een levend bewijs dat de situatie na een conflict in verandering blijft en geen definitieve oplossing kent. Zoals Adnan opmerkte: “Bosnië is een masterclass van tegenstrijdigheden”, en door deze te bevragen wordt duidelijk hoe belangrijk het is om ons te verzetten tegen simplistische narratieven – ook in hedendaagse conflicten, waar gelaagde geschiedenissen en concurrerende narratieven nog steeds bepalend zijn voor de manier waarop vrede wordt nagestreefd en conflicten worden ervaren.