Onafhankelijke journalistiek over de Vrije Universiteit Amsterdam | Sinds 1953
5 oktober 2026

Campus
& Cultuur

Vrije Schrijver Arnon Grunberg: ‘Ik vind polarisatie niet zo’n probleem’

‘Net als Jezus’ is Arnon Grunberg dit jaar wederopgestaan als Vrije Schrijver. Als je je nieuwsgierigheid verliest, ben je oud en dood, zegt hij. ‘Ik ben nooit in bed geweest bij neonazi’s, maar ik wil wel weten hoe ze dat zijn geworden.’

Grunberg is de eerste Vrije Schrijver die voor een tweede keer terugkomt, nadat Covid halverwege zijn academisch jaar de schrijvershuisbezoeken bemoeilijkte. Hij pendelt het hele jaar tussen New York en Amsterdam. “Ik schaam me voor veel dingen, maar vliegschaamte heb ik niet”, zegt hij in het hotel waar het interview plaatsvindt.

Arnon Grunberg (55)

- Werd op zijn 17e van het Vossius Gymnasium gestuurd
- Richtte op zijn 19e uitgeverij Kasimir op
- Debuteerde in 1994 op zijn 23e met Blauwe maandagen
- Zijn roman Tirza werd in 2010 verkozen tot belangrijkste roman van de 21e eeuw
- Schreef van 2010 tot 2018 de dagelijkse Volkskrant-column Voetnoot
- Was in academisch jaar 2019/2020 Vrije Schrijver aan de VU
- Won de AKO Literatuurprijs, de Libris Literatuur Prijs, de Constantijn Huygens-prijs en de P.C.-Hooft-prijs

Om zijn colleges niet online te hoeven geven, zal Grunberg dit jaar vaker naar Nederland komen. Was hij eigenlijk verbaasd dat hij een tweede keer werd gevraagd als Vrije Schrijver? “Een beetje, maar ook weer niet. Het gastschrijverschap eindigt een beetje als je dingen per Zoom moet gaan doen.” En dan: “Wil je dit niet opnemen?”, om zich daarna meteen te excuseren. “Ik bedoel niet dat je dat moet doen, dat moet je zelf weten, ik vraag het uit collegiale interesse. Ik neem altijd alles op.” Interviewt hij liever dan dat hij zelf geïnterviewd wordt? “Mijn eerste intuïtie is om te zeggen dat als je interviewt, je de baas bent. Je hebt een lijst voor je. Maar dat is niet de belangrijkste reden. Ik denk dat het vooral gaat om iets te weten komen dat je niet eerder wist.”

Bent u nooit de regie verloren in een interview? “Voordat mijn eerste boek uitkwam, interviewde ik mensen voor VPRO Boeken. Er was een grote schrijver, ik had zijn boek niet honderd procent gelezen. Hij heeft me toen terechtgewezen. Hij had niet helemaal ongelijk, maar hij had het niet zo neerbuigend hoeven zeggen tegen een twintigjarige. Ik heb toen wel even een ander pad moeten inslaan in het gesprek.”

U heeft eens gezegd dat als je een schrijver interviewt, je die dwingt diens geschreven tekst nog eens uit te leggen, waardoor de geïnterviewde zich genoodzaakt voelt beleefdheidsleugens te delen. Doet u dat ook? “Het is heel moeilijk om over romans te praten. Soms vind ik vragen dom of niet ter zake doende maar ik heb het nooit over mijn hart verkregen te zeggen: ‘deze vraag interesseert me gewoon niet. Ik heb hier nooit over nagedacht en ik wil hier niet over nadenken.’ Meestal ga ik er toch in mee. De leukste manier van interviewen is toch dat je iemand verleidt om samen verder te denken. Er zit een soort dans in.”

Over uw vorige Vrije Schrijverschap zei u destijds dat u de universiteit op eenzelfde manier wilde benaderen als een slachthuis of een hotel in Beieren. Dat u overal bezig bent een code te kraken. “Ik denk dat ik mijn taak op de VU een beetje overschatte, of anders had ingeschat. Ik zou wel kunnen meelopen als een soort embedded schrijver, maar dan moet ik ook langs andere faculteiten en het bestuur. Ik heb dat ooit bij de Nederlandsche Bank gedaan, dat vonden ze heel eng. Communicatiemedewerkers vinden alles eng. Een organisatie hangt vaak van absurditeit aan elkaar, zeker als het wat grotere instituten zijn. Een universiteit is dat ook, zeker in deze tijd. Het zijn toch een soort lesfabrieken.”

Het thema dit jaar is Vrije Denkers. Kunnen we wel een beetje vrijdenken op een universiteit? “Binnen elk onderwijssysteem – of je het nou over de VU hebt of de kleuterschool waar mijn zoontje op zit – word je geacht door bepaalde hoepels te springen. Er is druk om te slagen. Ik ben geen cultuurpessimist, maar ik denk dat de ruimte om af te wijken steeds minder groot is geworden. In de derde – een belangrijk jaar, ik werd voor het eerst verliefd – ben ik van de middelbare school gestuurd. Een van de meisjes van toen, die nu kinderen op die school heeft, zegt dat alles een stuk strenger is geworden. Een verhouding tussen een leraar en leerling bijvoorbeeld was toen gewoon geaccepteerd. Ik zeg niet dat dat de goede oude tijd is. Maar er is iets veranderd.”

U noemde de studentenopstand van 1968 een festival van geprivilegieerde witte mannen die hun eigen privileges nog iets verder wensten op te rekken. Is dat inmiddels ook veranderd? “Nu gaan demonstraties meer over: we moeten voorkomen dat we allemaal kapotgaan. Maar uiteindelijk voelt voor veel mensen de pijn in hun kleine teen urgenter dan een ramp ergens anders in de wereld.”

Toch zijn er studenten die hun tent opzetten op het campusplein, of de straat opgaan voor iets wat hen niet direct raakt. “Dan heb je het misschien ook over een culturele of academische boycot. Dat zijn hele ingewikkelde thema’s. Ik denk dat universiteiten daarmee worstelen, om het zacht uit te drukken.”

In uw essay Mogen we nog een beetje leven? heeft u het over die angst voor heftige meningsverschillen. Elk vuur dat boven de waakvlam uitkomt, is onwenselijk. Hoe doet de universiteit het hierin? “Dat vind ik interessant: hoe universiteiten zich moeten verhouden tot allerlei wereldconflicten duizenden kilometers verderop. Hoe ga je om met studenten die daar volstrekt verschillende meningen over hebben, en toch samen studeren? Ik vind polarisatie eigenlijk niet zo’n probleem. Het hoort bij een levende democratie dat mensen meningen hebben, en dat die meningen vaak emoties zijn.

Idealiter zou een universiteit de dialoog faciliteren. Universiteiten moeten begrijpen dat ze iets anders zijn dan kennisbanken, en ze zouden ook iets anders moeten willen zijn dan dat. In een bibliotheek bijvoorbeeld, kun je boeken lezen of uitlenen, maar je kunt er ook schuilen als het regent, daklozen kunnen er terecht. Ook een universiteit heeft meerdere functies. Je levert niet alleen mensen af om te gaan excelleren. Het is een plek waar mensen experimenteren met hun leven, met liefde, met samenzijn, met vriendschappen.”

Welke rol wilt u daarin spelen? “Ik hoop heel erg dat in de colleges die ik geef, de uren die ik met studenten ben, ze dingen durven zeggen die ze misschien elders niet durven. Dat ze niet denken: als ik dit zeg, gaan mensen me onaardig vinden, gaan ze een mening over me hebben. Ik was zelf ook iemand die er graag bij wilde horen, en dat lukte dan net niet. Ik ken het verlangen dus goed, maar ook het verlangen om je ergens tegen af te zetten. Ik zou mensen willen leren dat de gedachten vrij zijn. Als je over een seriemoordenaar denkt of schrijft, betekent dat niet dat je dat bent. Je kunt vriendschap sluiten met de gedachten die sommige mensen zondig, onwenselijk of kwaadaardig zouden noemen. Dat is een veel gezondere, zinvollere verhouding met je fantasie.

Nieuwsgierigheid is voor mij een fundamentele levenshouding. Als je dat verliest, ben je oud en dood. Ook als je met kennisoverdracht bezig bent, moet je nieuwsgierig blijven naar wie voor je zit, anders gaat het niet. Ik wil weten wat ze beweegt. Ik ben nooit in bed geweest bij neonazi’s, maar ik wil wel weten hoe ze dat zijn geworden. En zonder psychologie van de koude grond als ‘wat is er in je jeugd gebeurd’, maar gewoon: welke keuzes heb je gemaakt en waarom.”

In uw werk benadrukt u vaker het belang van niet oordelen. Waarom? “Omdat vooroordelen een privéaangelegenheid zijn. Als je met iemand wilt samenwonen bijvoorbeeld, moet je diegene ook een mate van vrijheid gunnen en mag je verwachten dat die jou dat ook gunt. Veel keuzes gaan niet samen. Of je nou twintig tatoeages hebt of geen, of je gezichtsbedekkende kleding wenst te dragen of niet. Je zou mensen niet lastig moeten vallen met wat je daar allemaal van vindt.

‘Ik wil niet zo’n zuur iemand zijn’ 

Ik ben nu een kind aan het opvoeden dus op een gegeven moment moet ik hem wel terechtwijzen, maar ik probeer het dan wel op een grappende manier te doen. Als iemand voordringt, vind ik het ook verschrikkelijk om daar iets van te moeten zeggen. Ik vind het gewoon zo zuur. Ik wil niet zo’n zuur iemand zijn.”

Ook niet als mensen een mening hebben die schadelijk is? “Misschien dat ik soms iets minder geduld heb dan ik ooit had. Ik ga niet met evenveel ernst in op lezers die mij in lange mails de les denken te moeten lezen. Maar ik vind niet dat ik het laatste woord heb over wat een schadelijke opvatting is. Een paar jaar geleden vroegen twee pubers van een jaar of 13 of 14 mij hier voor de supermarkt of ik twee flesjes alcohol voor ze wilde kopen. Ze gaven me hun pinpas en code. Dat heb ik gedaan. Anderen vonden dat toen immoreel, maar het is niet mijn taak hen op te voeden. Ik vond het ergens wel grappig, en ze vroegen het vriendelijk. Er zat ook een mate van vertrouwen in naar mij toe. Ik had net zo goed boodschappen kunnen gaan doen met die pas.”

Weet u al wat u wilt gaan doen dit jaar op de VU? “Je kunt je afvragen of je mensen wel kunt leren schrijven. Ik denk het niet, maar je kunt ze wel leren nadenken en lezen. Schrijven begint met goed lezen. Nederland wordt daar steeds slechter in. En dan is er ook nog AI: de vorige keer mochten mensen thuis schrijven, nu laat ik ze dat in mijn bijzijn doen om AI-gebruik te voorkomen. Ik heb eens gezegd dat over 60 of 70 jaar een AI-systeem de Nobelprijs voor de Literatuur kan gaan winnen. Of eerder, als ik de laatste berichten moet geloven. Maar ik vind het nu nog niet goed genoeg.

In eerste instantie had ik aangekondigd dat ik het over verlossing zou gaan hebben. Maar ik denk toch dat ik wil nadenken over boycots, over hoe we omgaan met wereldconflicten. Michel Houellebecq zei ooit dat het de taak van de schrijver is om te drukken op de pijnpunten van de samenleving. Dat wil ik gaan doen. Ik denk wel dat de universiteit het spannend gaat vinden. En dat vind ik leuk.”

‘Universiteiten zouden meer moeten zijn dan een kennisbank’ 

Reageren?

Dat is alleen mogelijk met een e-mailadres dat is verbonden aan de VU. Reacties worden gepubliceerd met voornaam of initiaal en achternaam. Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. Reacties met url’s erin worden vaak aangezien voor spam en dan verwijderd. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties. Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd en delen we niet met derden. We gebruiken het alleen als we contact met je zouden willen opnemen over je reactie. Zie ook ons privacybeleid.

Velden met een * zijn verplicht