Helaas…
Uw zoekopdracht op '' returned no results.
Uw zoekopdracht op '' returned no results.
Europese wetenschappers kunnen bij onderzoeksraad ERC aankloppen voor een onderzoeksbeurs. De competitie is stevig, maar Nederland doet het goed: in de afgelopen twintig jaar tijd kreeg het bijna tien procent (zo’n drie miljard euro) van het verdeelde geld.
Bijna achttien procent van de aanvragen uit Nederland wordt gehonoreerd. Dat is het hoogste percentage binnen de EU. Met een succesvolle aanvraag kan een individuele wetenschapper 1,5 tot 2,5 miljoen euro onderzoeksgeld krijgen.
Maar niet alle landen zijn even succesvol. Vooral landen uit Centraal- en Oost-Europa slepen relatief weinig beurzen in de wacht. Het zorgt voor een vicieuze cirkel: succesvolle landen bouwen steeds meer ervaring op en blijven geld binnenhalen, terwijl andere landen er moeilijk tussen komen.
Zonde, vindt de Poolse wetenschapper Leszek Kaczmarek, voorzitter van de ERC-werkgroep die zich inzet voor bredere Europese participatie: “We verliezen daardoor ontzettend veel talent”, zegt hij in een telefonische toelichting. “Dat betekent gemiste ontdekkingen, inzichten en technologieën waarvan heel Europa had kunnen profiteren.”

De achterhoede bestaat uit vijftien EU-landen. Samen vertegenwoordigen ze ongeveer een kwart van de EU-bevolking. Deze landen doen het inmiddels iets beter, meldt de ERC in een nieuw rapport, maar ze lopen nog altijd achter op de rest.
In bijvoorbeeld Griekenland, Tsjechië en Polen is de situatie verbeterd. De afgelopen jaren lag het slagingspercentage van deze drie tussen de acht en tien procent. In 2007-2011 was dat nog drie procent of minder, blijkt uit ERC-cijfers die tot 2007 teruggaan.
Toch bemachtigen de achterblijvende vijftien EU-landen nog steeds relatief weinig beurzen. Nederland kreeg er de afgelopen vijf jaar twee keer zoveel als al deze landen samen. “Het is positief dat de slagingspercentages stijgen, maar het aantal aanvragen blijft laag”, zegt Kaczmarek. “Veel onderzoekers in deze landen beginnen er niet eens aan, omdat ze denken dat ze toch geen kans maken.”

Volgens het ERC-rapport ligt het lage slagingspercentage vooral aan het onderzoeksklimaat: de landen bieden simpelweg minder kansen voor wetenschappers. Zij krijgen weinig ondersteuning bij subsidieaanvragen en hebben minder internationale contacten die hen verder kunnen helpen.
De verandering moet dus vooral uit de landen zelf komen, stelt de ERC. Volgens Kaczmarek ligt de grootste kracht van de ERC in zijn soft power: “De ERC kan landen aansporen om hun academische cultuur te verbeteren en meer kansen te bieden aan wetenschappelijk toptalent.” Dat, zegt hij, zal meer teweegbrengen dan alleen maatregelen en programma’s.
Maar een beetje hulp kunnen ze wel gebruiken. Zo richtte de onderzoeksraad in 2016 al een uitwisselingsprogramma op, waarbij een wetenschapper uit bijvoorbeeld Polen of Hongarije een paar maanden mee kan draaien met een onderzoeksteam in landen als Frankrijk, Duitsland of Nederland.
Daarnaast startte de ERC in 2021 een mentorprogramma, waarbij succesvolle wetenschappers advies en training geven bij het voorbereiden van een aanvraag. In 2025 investeerde de ERC bovendien 1,5 miljoen euro in het versterken van de nationale contactpunten, zodat onderzoekers begeleiding en advies in eigen land kunnen krijgen.
Daarnaast waarschuwt Kaczmarek dat er sprake kan zijn van bias op grond van ‘postcode’: waar je vandaan komt beïnvloedt je kans op een beurs. Beoordelaars kunnen dit onbewust laten meewegen en daarom is het belangrijk dat zij op dit risico gewezen worden.
Kaczmarek vergelijkt het met genderongelijkheid in onderzoek. “Jarenlang hadden vrouwen veel minder succes bij het aanvragen van onderzoeksbeurzen”, vertelt hij. “Pas toen de wetenschappelijke gemeenschap dit erkende, kwam er verbetering. Men realiseerde zich dat onbewuste vooroordelen een rol speelden bij de beursaanvragen.”
“Dat is niet alleen onethisch, maar ook ontzettend zonde”, zegt hij. “We verspilden talent door vrouwen niet de kans te geven hun volle potentieel te benutten. Hetzelfde geldt nu voor onderzoekers uit deze vijftien landen.”
De ERC hoopt dat er uiteindelijk steeds meer zogenoemde “happy islands” zullen ontstaan in de achterlopende landen, waar het succes van enkele onderzoekers anderen inspireert om ook een kans te wagen. Deze eilanden moeten we vooral steunen, zegt Kaczmarek: “Talent moet gekoesterd worden.”
De dagen worden weer langer, en het geluk stroomt met een UV-index van 3 tot 6 uit de hemel. Het is toch verbazingwekkend dat zoiets banaals als een bundeltje zonnestralen genoeg is om het hele straatbeeld te voorzien van een vrolijk stemmend laagje bladgoud. Niet dat alles erop vooruitgaat als het door de weergoden wordt ondergedompeld in een rijkelijk gevulde fonduepan met vitamine D. Neem vuurwerk. Of de maan.

Maar Amsterdamse trams staan de duisternis nog het best. Liever dan het aanhoren van hun wanhopige gepingel om de dagjesmensen voor hun voeten te verjagen, zie ik de blauwe wieven van de GVB zelfverzekerd door de nachtelijke straten zweven. Laat ze maar gillen in hun rails, als heraut van de nachtburgemeester.
In het duister is het bovendien niet zichtbaar door welke exploitant een tram nu weer onderhanden genomen is. Zo’n hulpeloze kameleon op wielen – onvrijwillig transformerend van Ziggo-advertentie tot Honkemöller-reclame – oogt voor mij toch alsof ze in de tramwereld niet bepaald aan consent hechten; keer op keer worden ze door die loverboys van gemeenteambtenaren uitgeleend aan schimmige vriendjes die ermee mogen doen wat ze willen.
Na zonsondergang hoeven die toegetakelde modelletjes niet meer rond te paraderen als uithangbord voor de zoveelste oerdomme Prime Video-serie. In de late uurtjes draait het eindelijk om hun innerlijk.
Dat maakt trams in het pikkedonker nog het mooist, als je het mij vraagt. Dan zien we pas echt wat er in ze omgaat. Te midden van de anonieme nacht zet hun onverbiddelijke ledverlichting nietsvermoedende passagiers in de schijnwerpers. Opeens zijn het kijkdozen op wielen.
Fiets je ’s avonds laat door de stad en passeert er een tram? Geef je ogen dan eens goed de kost. Kijk naar die mevrouw met de grijze krullen, die de bibberende schnauzer op haar schoot probeert gerust te stellen door hem zachtjes te strelen en liefkozende woordjes toe te fluisteren, al zal hij ze nooit begrijpen.
Kruis blikken met een jongen in overhemd. Hij loenst glazig door het tramraam, diep verzonken in gedachten. Op terugweg van een mislukt afspraakje met de persoon die hij de liefde van z’n leven heeft genoemd. Niet wederzijds. Terwijl het speciaalbier en liefdesverdriet door z’n aderen kolken, probeert hij zijn gedachten zo goed en kwaad als kan op een rijtje te zetten.
Oké, misschien is dit deels eigen invulling. Dat geef ik toe. Maar dat zijn nou eenmaal de verhalen die mij door de rijdende poppenkastjes verteld worden. De waarheid zegeviert toch wel weer wanneer de ochtend aanbreekt en de zon met haar meedogenloze stralen alle hoopjes fantasie verschroeit.
Geen vanzelfsprekende tweestrijd deze keer. Vorig jaar namen de linkse ChangeVU en rechtse Vrijmoedige Studentenpartij (VSP) het tegen elkaar op. De enige onafhankelijke kandidaat kreeg niet genoeg stemmen voor een zetel. VSP bemachtigde er 2 en ChangeVU 9. Dit jaar doet VSP niet mee (zie kader), en zijn er twee nieuwe partijen.
Een van die partijen is ConsensusVU, opgericht door de opgestapte studentenraadsvoorzitter Anne Bruggink en eveneens vertrokken vicevoorzitter Oskar Siri. In februari stapten zij uit de universitaire studentenraad (USR) omdat de nasleep van de misdragingen van twee VSP-leden voor een voor hen onwerkbare situatie had gezorgd binnen de raad. Ze verlieten ook hun partij ChangeVU, waar ze door medeleden ‘puppets van het college van bestuur’ werden genoemd. “Het vertrouwen is onherstelbaar beschadigd”, zei Bruggink destijds.

Eind maart, vlak voor de gebruikelijke campagnetijd, startten Bruggink en Siri hun eigen partij: ConsensusVU, waarmee ze naar eigen zeggen de medezeggenschap weer willen gebruiken waar het voor bedoeld is. “We willen de focus verleggen van de verschillen naar de overeenkomsten. Van strijden met elkaar naar strijden tegen een probleem.” ‘End the duel’, schrijven ze op hun Instagram. Daarmee bedoelen ze volgens Bruggink vooral het duel tussen ChangeVU en VSP. “Er is een sfeer ontstaan van de andere partij te willen verslaan. In ons ideaalbeeld zijn er helemaal geen partijen meer, maar gewoon losse kandidaten die namens studenten meedoen. Dus ergens ook gek dat we nu een partij hebben opgestart – we willen daar juist weg van.”
De medezeggenschap heeft volgens Bruggink de wettelijke taak om studenten te vertegenwoordigen, maar die kwam volgens haar in het gedrang doordat raadsleden elkaar de tent uitvochten. Als voorbeeld noemt ze een discussie binnen de USR over het wel of niet plaatsen van een Instagrampost over de Gaza-flotilla. Toen ze daarmee wilde wachten totdat ze het in persoon hadden besproken, trokken andere leden volgens haar de conclusie dat ze dan medeplichtig was aan genocide. “Ik snap dat emoties hoog kunnen oplopen, maar je moet wel met elkaar over dit soort dingen kunnen blijven praten.”
Depolarisatie is dan ook een grote pijler voor de partij. Maar is dat niet ook een tactiek om weg te blijven van lastige onderwerpen? “Nee, je mag een felle mening hebben en daar achter staan, maar verbaal geweld, intimidatie en pesten zijn daarbij onacceptabel. Het gesprek moet in het midden plaatsvinden – waarbij je allebei naar elkaar toe komt.”
Is dat niet een moeilijk thema om campagne op te voeren? De meeste VU-studenten zullen niet op de hoogte zijn of last hebben van de sfeer binnen de studentenraad, en hebben misschien meer oren naar concrete plannen voor de campus. “Daarom bepalen onze kandidaten zelf hun belangrijkste punten. En daarbij adviseren we hen dan sterk om respectvol te zijn.” Ze zijn daarom ook bewust klein begonnen en zien dit als een ‘pilotjaar’. Geen online wervingscampagne, maar een handjevol mensen die ze persoonlijk hebben benaderd om zich kandidaat te stellen. Een daarvan staat nu op de lijst. Bang dat kandidaten met controversiële punten komen waar de partij zich niet in kan vinden, is Bruggink niet. “Anders zouden ze wel onafhankelijk runnen.”
Overkoepelende thema’s vanuit ConsensusVU zijn in ieder geval depolarisatie, academische vrijheid, sociale veiligheid en toegankelijkheid. “Studenten durven soms niet eens meer een vraag te stellen in een werkgroep, omdat ze daarop veroordeeld kunnen worden. Ik vind niet dat je alles moet kunnen zeggen – zeker niet als het mensen kwetst. Maar er moet wel een grijs gebied zijn waarin je je mening kunt vormen.”
Op hun Instagram licht VU Student Coalition de voor hen belangrijke thema’s uit. Een partijplan hebben ze nog niet. De partij is al een aantal jaar actief op de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Utrecht maar de fractie aan de VU bestaat pas sinds dit jaar. Hun wensen zijn duidelijk: een sociaal veilige campus die duurzaam is, betaalbaar en inclusief, met transparante besluitvorming, toegankelijke ondersteuning voor mentaal welzijn en goede carrièrebegeleiding voor studenten.

Hoe dat er allemaal concreet uitziet is niet meteen terug te lezen op hun Instagram. Volgens lijsttrekker en bachelorstudent Esraa Aboelkasem is dat vooral een kwestie van de Instagram bijhouden. De campagnetijd viel samen met de tentamenweek – er was niet overal meteen tijd voor. Wel zijn ze volgens Alboekasem al sinds oktober bezig met “voorbereidingen”: hun inhoudelijke thema’s en speerpunten vormgeven en “actief luisteren” naar diverse studentenperspectieven op de campus – via studentenverenigingen bijvoorbeeld.
In een gesprek op de campus licht ze de partijwensen toe: om de campus betaalbaar te maken voor iedereen, zou de VU-kantine studenten een maaltijd van 2 of 3 euro moeten kunnen bieden en printkosten moeten omlaag. Volgens Aboelkasem vragen sommige docenten hun studenten om papers uitgeprint mee naar college te nemen, om te voorkomen dat ze AI gebruiken. Zo blijft het een laptopvrije zone. “Maar als je elke week een aantal papers moet printen, kunnen die prijzen flink oplopen.” Nu er
vanuit Den Haag mogelijk minder wordt bezuinigd, hoopt ze dat er
binnen de begroting meer ruimte ontstaat om dit soort lasten voor studenten te verlichten.
Verder is er volgens Aboelkasem terrein te winnen op het gebied van ondersteuning van het mentaal welzijn van de studenten. Studenten hebben volgens haar namelijk, bovenop zorgen over het vinden van een woning en de dalende koopkracht, ook last van geopolitieke spanningen. “Om ondersteuning inclusief te maken, moet het ook cultuursensitief zijn en rekening houden met de achtergrond en omstandigheden van de student. Iets meer maatwerk voor studenten met een Iraanse achtergrond bijvoorbeeld, of voor studenten die behoren tot de Palestijnse gemeenschap. Maar ook voor neurodiverse studenten of eerstegeneratiestudenten.”
Van die laatste groep hoort Aboelkasem vaak dat ze de introductieweek als gezellig ervaren, maar dat vragen over praktische zaken blijven hangen. “Dingen als hoe je je moet inschrijven voor een vak, wat de deadline daarvoor is, hoe je het rooster in je eigen agenda toevoegt.” Aboelkasem is zelf ook eerstegeneratiestudent en had naar eigen zeggen een groot netwerk van vrienden en medestudenten die haar bij vragen kon helpen, “maar niet iedereen heeft dat. Eerstegeneratiestudenten ervaren ook veel druk: je bent de trots van je ouders en je wilt het goed doen – daar moet meer ondersteuning voor zijn.”
Dat is dan ook een groep waar VU Student Coalition zich voor wil inzetten in de medezeggenschap. “Er zijn veel ongehoorde studenten uit de black community, eerstegeneratiestudenten, neurodiverse studenten.” Is daar dan te weinig aandacht voor geweest? “Ik wil niet wijzen met vingers, maar de huidige partijen hebben het afgelopen jaar met alles wat er heeft afgespeeld op de VU laten zien waar ze voor staan. Het was wellicht een lastige situatie, maar het is nu wel tijd voor een ander geluid binnen de USR.” Is die groep ongehoorde studenten wel de groep die naar de stembus gaat? “Helaas niet, maar door nu mee te doen hopen we op een grotere opkomst. We gaan op Tiktok, er komen Instagramvideo’s aan, we spreken mensen aan op de campus. Tot nu toe hebben we alleen maar positieve reacties.”
Oude bekende ChangeVU – in 2023 opgericht door afgesplitste SRVU’er Vincent Mesrine – doet dit jaar weer mee en is druk campagne aan het voeren. Bestuurslid en oud-USR-lid Simon Westhoff was even bang dat ze, nadat VSP besloot niet mee te doen, als enige partij zouden meedoen. “Dat was een rampscenario geweest – je wilt wel dat er iets te kiezen valt.”

Met het wegblijven van VSP bij de verkiezingen verwacht Westhoff wel dat er een minder “vijandige sfeer” zal heersen. De omgang met ConsensusVU en VU Student Coalition noemt hij vriendschappelijk. Tegelijkertijd vindt hij het jammer dat het geluid van conservatievere of gelovige studenten daarmee uit de raad verdwijnt. “Er zou wel ruimte moeten zijn voor die stem op de campus. Maar misschien is dit een kans om de aandacht terug te brengen naar de lokale issues waar het over zou moeten gaan: alternatieve examenplekken, kantineprijzen. Niet over regenboogvlaggen en de Pride Library.”
Een van de eerste dingen die de partij wil aanpakken is de leegstand op de VU – met als voorbeeld een voormalige studiezaal op de tweede verdieping van het hoofdgebouw die tot examenhal is omgebouwd en dus “98 procent van de tijd” leeg staat. “Ik vind het echt niet kunnen dat er zo weinig plek is op de universiteit die onvoldoende benut wordt.”
Een ander zorgpunt is wat Westhoff ‘securitisering’ noemt. Er komt volgens hem steeds minder ruimte voor studenten om zich organisch, op een “horizontale manier” te verenigen via initiatieven en protesten. “Student- en Onderwijszaken heeft het beheer van het Studentendok bijvoorbeeld overgenomen van de studentenvakbond, en er is steeds meer beveiliging aanwezig op de VU. Sociale veiligheid is ook heel belangrijk – maar ik heb wel het gevoel dat er met steeds meer argwaan naar studenten wordt gekeken. Activisme en extremisme mag niet als hetzelfde worden gezien.”
Op de andere punten waar ze zich voor willen inzetten – studentenwelzijn, toegankelijkheid, veiligheid – lijkt er overlap met de andere twee partijen. Gaat de uitwerking daarvan er anders uitzien bij ChangeVU? “Niet per se. Waar ConsensusVU voor staat is mij nog niet helemaal duidelijk. Maar ik denk dat we het met VU Student Coalition voor 99 procent met elkaar eens zijn.” Staat er dan minder op het spel? “Je wilt alsnog winnen als partij, maar het is voor iedereen een plus dat er geen extreemrechtse mensen op de lijst staan. Maar we moeten wel waakzaam blijven.”
Met beide partijen kijkt ChangeVU uit naar een samenwerking – dit jaar voor het eerst als oudste partij in de verkiezingen. “Misschien moeten we onze naam veranderen naar EstablishmentVU”, lacht Westhoff. Of hun eerdere ervaring een voordeel kan zijn in de verkiezingen, vindt hij moeilijk te zeggen. “We zijn goed geworden in creatief campagnevoeren en hebben mensen die weten hoe studentenverkiezingen werken. Maar mensen vinden het ook vaak leuk om op iets nieuws te stemmen.”
Vrijmoedige Studentenpartij
VSP doet dit jaar niet mee aan de verkiezingen, naar eigen zeggen vanwege een klimaat van ‘intimidatie, bedreigingen, demonisering en georganiseerde tegenwerking’. Op de vraag of ze hadden mogen meedoen als ze dat wel hadden gewild, zegt een woordvoerder van de VU dat elke student die is ingeschreven aan de VU, collegegeld betaalt en voorkomt in het kiesregister per peildatum 1 februari, zich kandidaat kan stellen voor de USR.
“Plekken als deze zouden niet moeten bestaan.” Terwijl hij koffie zet tussen ongewassen glazen, lege bierflessen en plastic verpakkingen in een troosteloze keuken van The Social Hub, laat masterstudent Baran Luis Pasaoglu zijn gedachten gaan over het hotel waar hij sinds een paar maanden verblijft. Je ziet meteen dat hij de ruimte deelt met elf andere studenten. Een kastdeur hangt uit zijn scharnieren en een lange plank die ooit tussen de kastjes en de vloer was bevestigd, ligt nu aan zijn voeten.
Pasaoglu trok afgelopen september in een van de ‘extended stay’-kamers op de locatie aan de Wibautstraat om te beginnen aan zijn master American Studies aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Hij betaalt ongeveer 2.000 euro per maand voor iets wat in de verste verte niet overeenkomt met wat hij had gehoopt toen hij na zijn bachelor in Turkije besloot in Amsterdam te gaan studeren. Zijn zoektocht naar woonruimte liep vertraging op doordat hij moest wachten op de beslissing van andere universiteiten waar hij zich had aangemeld. Hij wist dat de huurprijzen door de woningcrisis hoog zouden zijn, maar hoopte toch een studio te vinden voor minder dan 1.500 euro. Hij begon in juli met zoeken en zag zich na een week met weinig resultaat gedwongen zijn verwachtingen bij te stellen.
Via een vriend had hij over The Social Hub gehoord en met enig geluk vond hij meteen een beschikbare kamer op de website van het hotel. Hoewel er ook goedkopere kamers worden aangeboden, waren die al allemaal bezet. Toch was hij vooral blij dat de zoektocht voorbij was. “Het was echt een opluchting”, zegt hij.
Pasaoglu’s eerste indruk van de kamer was dat die klein was. Maar hij is niet iemand die snel klaagt. Hij zegt vroeger in nog kleinere ruimtes te hebben gewoond en na het zien van andere kamers op zijn verdieping was hij blij dat hij niet in een goedkopere optie terecht was gekomen. Die zou zelfs voor hem te klein zijn geweest.

Hij raakte bevriend met de studenten met wie hij de keuken deelt. De meesten van hen zijn door vergelijkbare omstandigheden in het hotel beland. “Ik denk dat niemand deze plek in eerste instantie had uitgekozen”, zegt hij. Sommigen van hen zijn nog steeds op zoek naar een alternatief.
Studentenhotels zoals The Social Hub liggen al enkele jaren onder vuur. De Landelijke Studentenvakbond raadt studenten af om voor The Social Hub te kiezen vanwege de “exorbitante prijzen” en de beperkte rechten van huurders in vergelijking met reguliere studentenhuisvesting.
Intussen wordt de woningcrisis in Amsterdam elk jaar nijpender, doordat de bouw van nieuwe complexen achterblijft bij het tempo waarin particuliere verhuurders hun studentenwoningen verkopen. Dat betekent dat aankomende studenten vaak genoegen nemen met elke beschikbare woonruimte, inclusief studentenhotels. Op papier gaat het dan wel om hotels, maar er is weinig flexibiliteit als het gaat om het voortijdig beëindigen van het contract. En hoewel de voorzieningen aantrekkelijk zijn, zouden de meeste studenten hier waarschijnlijk niet voor kiezen als ze meer opties hadden.
“Ik pak alles aan”, dacht Briana Cotârlan in juli 2023, een maand voordat ze uit Roemenië zou vertrekken om aan haar studie Computer Science aan de VU te beginnen. Ze wachtte tot een website online ging waarop woonruimte werd aangeboden die gereserveerd was voor internationale studenten aan de universiteit.
Omdat ze de housing fee van de VU niet op tijd had betaald, had ze eerdere aanmeldingsrondes gemist. Verhalen van mensen die geen woonruimte konden vinden en daardoor hun studie in Nederland hadden opgegeven, spookten al maanden door haar hoofd. Dit was haar laatste kans om via het huisvestingsprogramma van de universiteit een kamer te krijgen – als dat niet lukte, achtte ze de kans om iets te vinden klein.
Toen het platform online ging, crashte de website. Vijf zenuwslopende minuten lang kon Cotârlan niet inloggen. Toen het eindelijk lukte, waren er nog maar een paar kamers over. Op een ervan liet ze haar oog vallen; voor 1.087 euro per maand kreeg ze een hotelkamer met een gedeelde keuken.

Het was bij The Social Hub in Amsterdam West, een studentenhotel waar ze al eerder van had gehoord. Zo laat in het proces waren de andere beschikbare kamers even duur als het hotel. Het zou niet haar eerste keus zijn geweest, maar ze vond het prettig dat er een receptie en beveiliging waren. Dus besloot ze ervoor te gaan.
Cotârlan vond de hoge prijs van de accommodatie vervelend, maar merkte dat ze sommige voordelen miste toen ze er een jaar later vertrok. Omdat ze gewend was geraakt aan de maandelijkse schoonmaak van haar kamer, geeft ze toe dat het een “reality check” was toen ze daar ineens zelf verantwoordelijk voor was.
Ze hechtte aan het gevoel van veiligheid dat de beveiliging bood en was blij met de receptiemedewerkers die dag en nacht klaarstonden om te helpen. Extra’s als de korting bij een café op de begane grond, de gratis toegang tot de sportschool en de huurfietsen die ze kosteloos kon gebruiken maakten het geheel aantrekkelijker.
Net als Pasaoglu had ze weinig keuze en kwam ze uit bij een duurdere kamer. Maar na het zien van kamers van anderen, die soms niet groter waren dan 14 vierkante meter, was ze tevreden met wat ze had.
Hij zag een rat die zich tegoed deed aan een schaal koekjes op de receptiebalie
Pasaoglu had toegang tot dezelfde voorzieningen als Cotârlan, en die waardeert hij ook. Maar volgens hem rechtvaardigen ze de hoge huur niet, zeker gezien de tekortkomingen van het hotel. De keuken moet worden gerepareerd, maar het hotel negeert de situatie, ondanks zijn verzoeken. Het internet is traag. In de lobby en de gemeenschappelijke studieruimte lopen ratten rond – hij zag er een die zich tegoed deed aan een schaal koekjes op de receptiebalie. Voor hem maakt dat de prijs moeilijk te accepteren.
Studentenhotels kunnen wel betaalbaar zijn. Neem Hotel Casa, dat momenteel 605 euro per maand vraagt voor langverblijfkamers voor studenten. Annejet Vreeburg, masterstudent Journalistiek aan de VU, woonde daar vanaf 2020 ruim een jaar en zegt dat die periode een goede eerste ervaring was met op zichzelf wonen. Ze verkoos deze optie boven reguliere studentenhuisvesting en profiteerde ervan dat de wachtlijst door de coronapandemie korter was. Tegenwoordig duurt het twee jaar om een kamer in hetzelfde hotel te krijgen.

Wat ook laat zien dat Casa een redelijke keuze is, is dat volgens Vreeburg ongeveer de helft van de studenten die er woonden Nederlands was. Studenten die al in Nederland woonden voordat ze gingen studeren, hebben doorgaans meer inzicht in de woningmarkt en vinden vaker betere huisvesting dan internationals. Bij The Social Hub zeggen zowel Pasaoglu als Cotârlan vrijwel geen Nederlandse studenten te zijn tegengekomen.
Het lijkt erop dat een langlopend contract bij een studentenhotel weinig vrijheid biedt. Dat merkte Hania Frej, tweedejaars student European Studies aan de UvA, toen zij afgelopen jaar verbleef in Hotel Jansen, dat ook langverblijfopties voor studenten aanbiedt. Na een maand in een kamer ter grootte van een hotelkamer, waarvoor ze 1.700 euro betaalde, was ze blij te horen dat ze twee maanden eerder dan verwacht naar een appartement kon verhuizen. Daarna hoorde ze dat het vroegtijdig verlaten van het hotel haar 400 euro zou kosten, in tegenstelling tot wat het hotel haar bij aankomst had verteld. Volgens haar was destijds gezegd dat er geen kosten aan een vroegtijdig vertrek verbonden zouden zijn.
Pasaoglu liep tegen vergelijkbare problemen aan. Hij wilde in januari verhuizen, maar vanwege zijn jaarcontract moest hij iemand vinden die zijn kamer wilde overnemen als hij eerder wilde vertrekken. Dat lukte niet, wat hem niet verbaasde. “Ik snap wel dat de meeste mensen geen 2.000 euro voor een kamer willen betalen”, zegt hij. Hij moet nu tot het einde van zijn contract in The Social Hub blijven.
Wat hem op de been houdt, is dat hij binnenkort even uit Amsterdam vertrekt en de hotelkamer een paar nachten achter zich laat. “Ik kan niet wachten”, zegt hij. “Ik tel de dagen af.”
Afgelopen december kreeg C&M-medewerker Houkje Vlietstra een wat treurig kerstcadeau van haar baas, de VU. Per 1 mei 2026 was ze boventallig verklaard. Drie weken voor haar pensioen zou ze na 44 jaar trouwe dienst aan de kant worden gezet. Ze vond het heel erg. Maar, zei haar leidinggevende: “Het moet van HRM.”
Ze vindt het een “onnodig diepe belediging” en dom bovendien. “Financieel levert het ze niks op.” Nog absurder werd het toen ze tijdens dat boventalligheidsgesprek hoorde dat ze per 1 mei in aanmerking zou kunnen komen voor een van de nieuwe banen bij Communicatie & Marketing. “Heel surrealistisch natuurlijk als je op 22 mei 67 jaar wordt.”
Vlietstra uitte haar ongenoegen in een bericht op LinkedIn, waar ze meer dan 50.000 views scoorde, honderden reacties en 85 commentaren kreeg van mensen die net zo geschokt waren als zij. Emeritus hoogleraar oude geschiedenis Bert van der Spek foeterde: ‘Dat krijg je ervan als je keihard afscheid neemt van de christelijke idealen van de universiteit: compassie, zorg voor de medemens, strijd tegen egoïsme.’
“Pure dommigheid”, zegt ze. Inmiddels heeft ze een keurige pensioensbrief waarin staat dat haar dienstverband per 21 mei eindigt. Ze draagt de VU niks na, want “ik ben dol op de VU.”
‘Ik kan niet tegen onrecht’
Ze vroeg zich wel af of haar ontslag, drie weken voor haar pensioen, “een trap na” was geweest vanwege haar “kritische grote bek”. Want ja, Vlietstra heeft van haar hart nooit een moordkuil gemaakt en als ze vindt dat de VU iets niet goed doet, mag iedereen dat horen. Maar met haar pensioen in zicht lijkt ze milder te zijn geworden, want, zegt ze: “Uiteraard heb ik ook fouten gemaakt.”

Als lid van de ondernemingsraad (OR) kreeg ze ruzie met de directeur van HRM. Dat liep zo hoog op dat ze uit de OR stapte. Daar is ze nog wel steeds boos over. Ze heeft altijd aan de bel getrokken als het ging om de rechten van werknemers en studenten. Als OR-lid, gewoon als collega, maar ook als lid van het Lokaal Overleg van de FNV, dat landelijke kaderregelingen in de cao vertaalt naar de werkvloer van de VU. Als het ging over ouderschapsverlof, vrije dagen, een sociaal plan bij reorganisaties. “Ik heb het altijd leuk gevonden om er voor collega’s uit te halen wat eruit te halen viel”, vertelt ze.
Bijvoorbeeld als ze op hun vrije zaterdag moeten werken vanwege een bachelorvoorlichtingsdag. “Dan hebben ze recht op anderhalf uur compensatie per gewerkt uur en na 16 uur zelfs op twee uur. Dat weten mensen vaak niet, maar Vlietstra wijst dat dan aan in de cao.
Ze stookt het vuurtje graag op, zegt ze. “Ik kan niet tegen onrecht.” Soms heeft ze dan een conflict. “Als je zo’n grote bek hebt als ik, krijg je weleens herrie”, zegt ze daarover. Soms vindt ze dat collega’s hun mond niet genoeg opendoen. “Er zitten helaas ook bange mensen in de OR”, oordeelt ze.
Ze kwam dus 44 jaar geleden, in december 1981, bij de VU werken, waar ze net klaar was met haar kandidaatsexamen geschiedenis. Ze kreeg een baantje bij de voorloper van de dienst Communicatie & Marketing, het VU Informatiecentrum. Ze verzorgde de knipselkrant en las alle dagbladen, “zelfs de feuilletons in het Reformatorisch Dagblad”, om daar de berichten uit te knippen die relevant waren voor de VU. Tweeëntwintig was ze, streng protestants opgevoed maar wel samenwonend met wie later haar echtgenoot zou worden. Als VU-werknemer werd je toen geacht de doelstelling van de VU te ondertekenen, op de VU werkte je voor ‘God en zijn wereld’.
‘Als vrouw ben je vogelvrij’
Ze werd bepoteld door haar baas, hoofd van het bureau Pers & Voorlichting. “Losse handjes”, noemt ze dat. “Hij was ook lid van de ‘natte gemeente’, dat betekent dat hij wel van een borrel hield. Die ongewenste intimiteiten vielen ook andere jonge vrouwen aan de VU ten deel. “Je was als vrouw vogelvrij”, aldus Vlietstra. Ze bedenkt zich even: “Nog steeds is dat zo. Ook in de wetenschap valt het niet mee om een vrouw te zijn. Veel mannen denken dat ze zich alles kunnen permitteren wanneer een vrouw afhankelijk van hen is.”
Toen ze trouwde, hielden de ongepaste aanrakingen op. “Ik was toen van een andere man, en dan mocht dat blijkbaar niet meer.” Ze heeft nooit een klacht tegen hem ingediend. “Aan wie moest je zoiets vertellen?”, zegt ze. “Ik huilde weleens uit bij een collega die er ook last van had.”
Als student was ze al activistisch. “Ik deed twee keer mee met een bezetting van de VU.” Waar het om ging, staat haar niet meer zo scherp voor de geest. “Iets met verhoging van het collegegeld.” Ze was actief voor de SRVU en zat in de subfaculteitsraad. Ze was een van de weinige vrouwen die geschiedenis studeerden. “In die tijd zeiden ze dat als je aan de man wilde, je geschiedenis moest gaan studeren.”
Ze ontmoette aan de VU inderdaad haar toekomstige man en stopte met haar studie nadat ze haar kandidaatsdiploma haalde, zeg maar het huidige bachelordiploma. “Ik wilde baby’s”, zegt ze. Die baby’s kreeg ze, drie kinderen, onder wie een tweeling, binnen twee jaar. De baby’s kregen zelf weer baby’s, waar Vlietstra ook altijd op heeft gepast.
Haar familie is belangrijk voor haar, en daarom was het werken aan de VU ideaal. “Bij de VU kon altijd alles. Om half drie weg om je kinderen van school te halen, jarenlang heb ik 16 uur per week gewerkt, je had veel vakantiedagen en goede secundaire arbeidsvoorwaarden. De VU is eigenlijk een gouden kooi, wat dat betreft.” Ze voegt daar nog aan toe: “Voor het ondersteunend personeel.”
Ze heeft altijd met plezier gewerkt en nooit minder dan haar best gedaan, maar ze kwam eens in opstand toen de VU tegen haar personeel begon te ronken over duurzame inzetbaarheid, je constant ontwikkelen en ambities realiseren. “Waarom is het niet meer genoeg als je je vak verstaat”, zei Vlietstra destijds tegen Ad Valvas. “Er wordt ook altijd verwacht dat je je werk met passie doet. Sodemieter op! Mag ik alsjeblieft passieloos mijn werk doen?”
Ze doorbrak een taboe en zegt dat ze ontzettend veel reacties van mensen kreeg die er ook zo over dachten. “Zelfs hotemetoten aan de VU schreven me dat ik gelijk had. Werken doe ik om te leven, en ik doe het met plezier, maar mijn werk is niet mijn leven. Mijn familie is mijn leven.”
Soms is het gemakkelijk om AI-gegenereerde teksten te herkennen. Een VU-student kunstmatige intelligentie kreeg vorig jaar een onvoldoende voor een opdracht omdat ze de tussenzinnetjes had meegekopieerd in haar werkstuk: ‘Thought for 4 seconds’. Tja, dan vraag je erom. Toch stapte ze naar de rechter. Ze had alleen AI gebruikt om haar eigen tekst te verbeteren, stelde ze. De rechter ging er niet in mee, vooral omdat het in de opdracht uitdrukkelijk verboden was om AI te gebruiken.
De meeste studenten zullen iets nauwkeuriger zijn met knippen en plakken en dan is AI-gebruik een stuk moeilijker te bewijzen. Zeker als de student checkt of de bronnen die het programma oplepelt ook echt bestaan, want ook daar ging het in het verleden nog weleens mis. AI-programma’s als ChatGPT verzinnen soms bronnen of husselen ze door elkaar. Maar laten we ervan uitgaan dat dit beginnersfouten zijn die de meeste studenten inmiddels niet meer maken.
In 2024 gebruikte 65 procent van de Nederlandse studenten weleens AI voor hun studie en heeft 28 procent het weleens gebruikt voor een opdracht zonder dat de docent het doorhad. Het is aannemelijk dat dit percentage inmiddels alweer is gegroeid. Wereldwijd gebruikte in 2025 zo’n negentig procent van de studenten AI. Kortom, we kunnen niet meer doen alsof het 2020 is en ChatGPT nog niet bestaat. In een paar jaar heeft generatieve AI de academische wereld flink door elkaar geschud.
Vaak dezelfde zinsstructuren en steeds terugkerende woorden
Dol op gedachtestreepjes
Nogal stellig
Weinig tot geen fouten
Bevatten stellingen die de kennis van de gemiddelde student te boven gaan
Academisch onderwijs heeft altijd veel nadruk gelegd op schrijfvaardigheid. Tot voor kort was het de manier bij uitstek om te testen of studenten in staat zijn om zelfstandig een berg informatie tot zich te nemen, te verwerken en de relevante elementen ervan te gebruiken in een eigen gestructureerd verhaal dat voor anderen te begrijpen is. Als studenten dat konden, waren ze geslaagd als academicus.

Zijn deze vaardigheden nog steeds relevant in een wereld waarin AI steeds meer schrijfwerk zal overnemen? En hoe test je als universiteit of studenten hun eigen werk inleveren of goed zijn in ‘prompting’, het formuleren van de opdracht voor het AI-programma? En de vraag die zich als een olifant in de academische coulissen heeft verstopt: moet er een alternatief komen voor de scriptie, de meesterproef waarmee studenten laten zien dat ze hun academische titel waard zijn?
Wellicht gaan studenten de komende jaren afstuderen op tentoonstellingen, adviesrapporten, documentaires en podcasts. De komst van AI is tenslotte ook een kans om het academisch curriculum eens grondig af te stoffen en eigentijdser te maken. Toch zijn de deskundigen die ik spreek gehecht aan de scriptie, maar dan wel op een eigentijdse manier begeleid.
“Studenten in hun eentje maandenlang laten aanmodderen met een scriptie was eigenlijk al nooit een goed idee”, stelt Gea Dreschler, universitair docent Engelse taalkunde en directeur van het Academic Language Programme, “en met de komst van generatieve AI is het belangrijker dan ooit dat je als docent nauw betrokken bent bij het hele proces.” Dreschler denkt aan regelmatige gesprekken waarin studenten hun voortgang laten zien, hun onderzoeksvragen en methodiek beargumenteren, laten zien welke selectie ze maken, welke bronnen ze gebruiken en hoe ze hun materiaal via een aantal kladversies uiteindelijk verwerken tot een eindproduct. “Dat is inderdaad intensief voor de docent”, zegt ze, “maar ik vind dat het bij mijn taak hoort.”
Wellicht gaan studenten afstuderen op tentoonstellingen, adviesrapporten, documentaires en podcasts
“Je kunt het begeleidingsproces ook in groepjes organiseren”, zegt toetsdeskundige Susan Voogd van het Centre for Teaching and Learning, “zodat studenten elkaar feedback geven, dan hoef je als docent niet alles alleen te doen.” Sowieso is de scriptie een minder solitair project geworden: het is belangrijker geworden om kladversies samen te bespreken en feedback van anderen te verwerken. Ook is het van groter belang dat studenten hun denkstappen laten zien. “Er ligt meer nadruk op het proces en minder op het eindproduct”, stelt beleidsmedewerker onderwijs Alice Schaap van Student- en Onderwijszaken.
Steeds vaker wordt de scriptie als afstudeerwerk gecombineerd met andere elementen, zoals een mondelinge verdediging of een portfolio. Docentenopleider Voogd: “In onze opleiding zijn videofragmenten van lessen een logisch onderdeel van iemands eindbeoordeling.”
Door de komst van generatieve AI gaan opleidingen zich opnieuw afvragen wat het nut is van die scriptie die ze hun studenten laten schrijven. Dreschler: “Eigenlijk is de scriptie een oefenvorm. We zeggen dat we studenten leren schrijven voor publiek, maar wie is dat publiek dan? Vaak is de begeleider de enige die het werk leest.” Dat kan ook anders volgens Dreschler: “Misschien kunnen we studenten ook artikelen laten schrijven die wel echt worden gepubliceerd, of je laat ze hun onderzoek presenteren voor medestudenten.”
Dat schrijven nuttig is, daarover zijn de deskundigen het eens. Schrijven gaat door AI een andere plek innemen in het academisch curriculum en in de hele samenleving, maar nog steeds is het dé manier om je gedachten grondig te ordenen en te onderzoeken. Pas als je iets opschrijft, kom je erachter of er nog gaten zitten in je redenering. In de podcastserie Nooit meer schrijven? die Dreschler maakte over dit onderwerp, verwoordt hoogleraar organisatiewetenschap Christine Moser het zo: “Het op papier krijgen van een gedachte, doet iets met die gedachte. Het proces om iets goed op papier te krijgen, helpt om het denken aan te scherpen.”
Studenten vinden schrijven vaak moeilijk, weet Dreschler, die verschillende vakken over academic writing geeft. Het is belangrijk om hen uit te leggen waarom het toch zo belangrijk is. Als docent is ze geïnteresseerd in wat haar studenten beweegt om AI te gebruiken. Ze gaat er geregeld over met ze in gesprek. Saai, geen tijd, teveel schrijfopdrachten zijn redenen die ze hoorde. Op basis van die gesprekken richtte Dreschler haar onderwijs anders in. Ze geeft nu minder schrijfopdrachten en denkt beter na over de opdrachten die ze wel geeft. “Als ik een schrijfopdracht geef waarbij ik van meer dan de helft van mijn studenten AI-teksten terugkrijg, dan was de opdracht dus niet goed”, zegt ze. Ze probeert opdrachten te verzinnen waar studenten zelf ook iets aan hebben. Ze legt het belang ervan uit en maakte de opdrachten persoonlijker, meer gericht op wat studenten zelf vinden. Wat valt jou op? Wat heb jij gevonden? “Ik hoop dat dat studenten motiveert om zelf te schrijven”, zegt ze, “maar nog steeds krijg ook ik soms werk terug waarvan ik vermoed dat het door AI is gemaakt.”
Twee jaar geleden leidde Dreschler met haar collega Abby Gambrel al een workshop met de titel The death of the thesis?, waarin docenten en deskundigen met elkaar in gesprek gingen over de vraag of de scriptie als academische meesterproef aan vervanging toe is. De belangrijkste conclusie: de meeste docenten zijn aan de scriptie gehecht omdat die de academische criteria het best toetst. Bovendien missen docenten vaak kennis om andere vormen, zoals een documentaire of tentoonstelling goed te kunnen begeleiden en beoordelen.
Aan de VU beslissen docenten zelf of AI-gebruik geoorloofd is bij hun vak. AI-geletterdheid zou een vast onderdeel moeten zijn in het programma, vindt Voogd. Vragen als: wat doet AI wel en niet? Welke gegevens kun je met het oog op de privacy beter niet delen met AI-programma’s? Hoe beoordeel je de kwaliteit van een gegenereerde tekst? “Als je AI op die manier integreert in je onderwijs, leid je uiteindelijk mensen op die de gegenereerde teksten kritisch kunnen beoordelen. Kritisch denken was altijd al een belangrijke academische vaardigheid en dat is met de komst van AI zeker niet minder geworden”, stelt ze.
We zijn al ruim over de helft van ons bestuursjaar. In heel veel opzichten is het meer dan een gewoon bestuursjaar.
Ik ben ervan overtuigd dat wat je ook in je leven tegenkomt niet zonder een reden is. Voor mij is dit jaar een stille proef in draagkracht: hoeveel rollen kan één persoon aan, terwijl de wereld voelt alsof die op ontploffen staat? Twee besturen. Twee banen. Honoursprogramma. Proberen er te zijn voor vrienden. Proberen er te zijn voor mezelf. Die ene vraag blijft maar terugkomen als een refrein: “Hoe krijg ik zo veel voor elkaar?”

Is het passie? Een obsessie? Of een mix van beide. Eerlijk gezegd is het iets eenvoudigers: ik weiger om kansen aan me voorbij te laten gaan alleen omdat ze in het begin intimiderend lijken. Alles wat ik doe zie ik als het verzamelen van puzzelstukjes. Kleine, imperfecte fragmenten die op zichzelf nog geen zin lijken te hebben. Mijn functie in de universitaire studentenraad geeft me de ruimte om die stukjes aan elkaar te leggen tot iets dat groter is dan mijzelf. Het zijn niet alleen extra activiteiten. Het is luisteren naar het hart van de universiteit: horen wat studenten nodig hebben, dat vertalen naar actie, en beseffen dat verandering kan beginnen met een gesprek waarin je elkaar serieus neemt.
Met de studentenraadsverkiezingen in aantocht schrijf ik deze blog als een welgemeende boodschap aan iedereen die zich ooit heeft afgevraagd of het het wel waard is om iets te doen naast je studie. Dat is het absoluut, omdat het de relatie met jezelf verandert. De universitaire studentenraad staat niet alleen mooi op je cv. Het is een oefenplek om het soort persoon te worden dat niet wacht op toestemming om bij te dragen aan een betere universiteit.
De studentenraad betekent voor mij niet alleen nieuwe kansen, maar een compleet andere wereld. Ik durf te zeggen dat het de beste ervaring is die je kunt hebben in je twintigste. Dit bestuursjaar heeft mijn hele toekomst vormgegeven: als individu, als toekomstige werknemer, als vriend, als wie je kiest te zijn wanneer de wereld je probeert te veranderen.
Dus als je dit leest en denkt: dat zou ik nooit allemaal kunnen, dat hoeft ook helemaal niet. Je hoeft alleen maar de eerste stap te zetten. Eén klein puzzelstukje. En dan nog één. Want soms is het meest verrassende niet hoeveel een mens kan doen, maar hoe veelzijdig je kunt worden wanneer je jezelf eindelijk toestaat om het gewoon te proberen.
Mogen wetenschappers zelf bepalen wat ze onderzoeken en waarover ze lesgeven? Is de campus een veilige plek voor studenten en medewerkers? Kunnen academici zich vrij uitspreken, ook over gevoelige onderwerpen?
De Academic Freedom Index beoordeelt jaarlijks de mate van academische vrijheid in landen, op basis van onder meer vragenlijsten en de beoordelingen van lokale experts. Landen krijgen daarbij een score tussen de 0 en 1 punt.
Europa, Noord-Amerika, Oceanië en Latijns-Amerika doen het over het algemeen goed, terwijl landen in Azië, het Midden-Oosten en delen van Afrika vaak minder hoog scoren. Toch is de academische vrijheid in maar liefst vijftig landen significant afgenomen de afgelopen tien jaar, staat in een nieuw rapport.
Op nummer één van de ranglijst staat Tsjechië, met een score van 0,98 punten. Daarna volgt Estland met 0,97 punten. België neemt met 0,95 punten de derde plaats.
Onderaan de lijst bungelt Nicaragua. Het land scoorde in de jaren negentig nog 0,81 punten, maar sinds Daniel Ortega in 2007 opnieuw president werd, is het land afgegleden naar een dictatuur. Volgens een VN-rapport staan universiteiten er onder strenge controle en hebben kritische studenten en docenten te maken met “fysiek en psychologisch geweld”.
Nederland krijgt 0,76 punten. Dat is minder dan de meeste EU-landen. Alleen Griekenland, Roemenië, en vooral Hongarije scoren lager. Jarenlang hoorde Nederland bij de koplopers, maar inmiddels niet meer.
Zo wordt de ‘campus integrity’ relatief laag beoordeeld. Scholars at Risk noteerde de afgelopen jaren meerdere incidenten, waaronder politiegeweld tijdens pro-Palestijnse protesten, en ook vernielingen van universiteitsgebouwen door actievoerders. Volgens de organisatie dragen dit soort incidenten bij aan een onveilig gevoel op de campus en belemmeren ze een open debat.
Ook wetenschapsgenootschap KNAW waarschuwde vorig jaar dat de academische vrijheid in Nederland onder druk staat, onder andere vanwege de forse bezuinigingen van het kabinet-Schoof en de ‘polarisering en verharding van het maatschappelijke debat’. De KNAW noemde daarbij ook de dalende score voor Nederland op de Academic Freedom Index.

Een hoge score betekent niet altijd dat een land in de praktijk een veilige leeromgeving biedt. Zo scoort Nigeria een stuk beter dan Nederland, terwijl studenten en medewerkers in dat land de afgelopen jaren meermaals zijn ontvoerd door criminele bendes, vaak voor losgeld.
De Academic Freedom Index richt zich nu eenmaal met name op de mate van overheidsbemoeienis met de instellingen. Zaken als criminaliteit en algemene veiligheid worden in principe niet meegenomen.
De meest spectaculaire afname is te zien in de Verenigde Staten, waar de academische vrijheid met maar liefst vijftig procent is gedaald. Met een score van 0,40 zou de academische vrijheid daar nu zelfs nog beperkter zijn dan in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Trump beschouwt universiteiten als tegenstanders en oefent zware financiële druk uit om ze tot gehoorzaamheid te dwingen. Onderzoekers moeten zich houden aan strenge richtlijnen omtrent diversiteit, gelijkheid en inclusie. Docenten mogen niet meer vrijuit lesgeven over onderwerpen als racisme en gender; zelfs teksten van Plato moesten van de leeslijst af.
Ook in Hongarije, India en Turkije komt de academische vrijheid door wetswijzigingen en overheidsingrepen steeds meer op losse schroeven te staan, meldt het rapport. In tegenstelling tot de Verenigde Staten, waar de achteruitgang zich in hoog tempo heeft voltrokken, gebeurde dit in deze landen geleidelijker.
Precies 500 mensen stemden afgelopen week in het VU-hoofdgebouw, traditiegetrouw een van de stembureaus in Amsterdam. Favoriet D66 kreeg 100 stemmen, nipt gevolgd door GroenLinks met 99 stemmen. In heel Amsterdam was dat andersom: 17,9 procent van de kiezers stemde op GroenLinks tegenover 16,1 procent op D66.
Opvallend genoeg kreeg de VVD (71) meer stemmen op de VU dan de PvdA (53). Op stadsniveau is de PvdA namelijk flink groter dan de VVD, 14,1 procent tegenover 10,9 procent. De lijst van het hoofdgebouw wordt opgevolgd door Volt (32), Partij voor de Dieren (26) en BIJ1 (21). Nieuwkomer De Vonk kreeg 18 stemmen, gevolgd door CDA (14), JA21 (13), DENK (12), SP (10) en Forum voor Democratie (7).


Afgelopen jaar werd ‘onderwijspartij’ D66 bij de landelijke verkiezingen ook de grootste partij in het hoofdgebouw, met ruim een kwart van de stemmen. Toen stemden er ongeveer twee keer zoveel mensen in het hoofdgebouw als tijdens de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen.
In een reactie op een Instagrambericht noemde je de Emergohal een toegankelijkheidsnachtmerrie. Waarom?
“Er gaan zoveel dingen mis met de Emergohal. Zelfs met Google Maps is het erg moeilijk om er de weg naartoe te vinden. Als je met het openbaar vervoer gaat, is er geen voetpad, alleen een weg en een fietspad. Als je op tijd bent en geen beperking hebt, levert het al uitdagingen op. Maar als je iemand bent die moeite heeft om ergens op tijd te komen, zoals veel mensen met een beperking vanwege allerlei redenen, dan maakt dat het nog uitdagend.”

“De laatste keer dat ik er was, ongeveer een jaar geleden, was ik een keertje vroeg, maar er was nergens plek om te zitten in de wachtruimtes. Dus moest ik op de grond gaan zitten, wat lastig is als je een student met een beperking bent.”
Tait-Doak is lid van Disability RendezVU, een groep voor studenten met een beperking die is ontstaan uit een studentenpanel dat samenkomt met de afdeling Studeren met een functiebeperking om gezamenlijk aan beleidsveranderingen te werken. Ook wordt er met 3D maandelijks een bijeenkomst georganiseerd voor studenten en medewerkers met een beperking. De groep is van plan een algemenere studentenvereniging te worden zoals VU Pride, FAM en NDSA.
En het maken van een tentamen in de Emergohal, gaat dat verder goed? “Tentamens maken is altijd wel een beetje chaotisch, maar de Emergohal is een super grote ruimte met veel TL-verlichting en veel activiteit. Dat maakt het nog verwarrender. De RAI – waar ik vóór corona een tentamen had – is vergelijkbaar qua grootte, maar niet zo erg. De toegankelijkheid is iets beter en het is iets minder overweldigend.”
Biedt de VU geen oplossing voor mensen met een beperking?
“Je kunt je aanmelden om je tentamen te maken in de voorzieningenzaal op de campus, maar dat brengt andere complicaties met zich mee. Je moet de ruimte minstens twee weken voor het tentamen reserveren, waar een ingewikkeld formulier voor nodig is dat losstaat van de inschrijving voor het vak. Voor iemand met beperkingen voegt dit een extra administratieve taak toe bovenop alles waar ze al voor moeten zorgen. Leven met een beperking is een fulltime baan. En als je te laat bent met aanmelden, kun je de ruimte niet gebruiken.”
Zou je met zekerheid kunnen zeggen dat de Emergohal heeft geleid tot slechtere cijfers voor jou?
“Ja, als de vorm van toetsing ontoegankelijk is of mij te veel stress of spanning bezorgt, dan heeft dat invloed op mijn prestaties.”
Je stelt dat de Emergohal ontoegankelijk is voor studenten met een beperking. Denk je dat de locatie voor anderen wel oké is?
“Wanneer we het hebben over beperkingen en toegankelijkheid, hebben we het niet alleen over mensen die netjes in categorieën van wel of geen beperking passen. Ik ben een student met een geregistreerde beperking, maar ik heb een lange weg afgelegd. Veel studenten die hier komen op hun 17e, 18e of begin twintig weten misschien niet dat ze een beperking of een niet-gediagnosticeerde aandoening hebben, maar de uitdaging is er wel. Als je mensen met een beperking faciliteert, profiteert iedereen daarvan.”
De TenT is gesloopt, waardoor de tentamencapaciteit op de campus is verminderd. Is dat geen geldige reden om de Emergohal te gebruiken, in ieder geval op korte termijn?
“Als ze een oplossing gaan implementeren voor het slopen van de TenT- en het W&N-gebouw, dan moeten ze toegankelijke oplossingen vinden: herintroduceer de shuttlebussen [tussen de campus en de Emergohal, red.]; maak het toegankelijk in plaats van dat studenten de last dragen. En maak het voor studenten met een beperking makkelijker om een prikkelarme ruimte voor tentamens te reserveren.”
Omstreden verleden
De Emergohal werd al in 2002 gebruikt voor tentamens, zegt universiteitshistoricus Ab Flipse. Er was veel protest tegen, wat de rector destijds als gerechtvaardigd omschreef. Toen de TenT in 2003 werd geopend, zei rector Taede Sminia: “Het hoort bij de onderwijscultuur van de VU dat je voor alles naar de campus kunt komen.”
Inmiddels is de Emergohal weer jaren in gebruik. Het wordt gezien als de best passende optie voor extra toetscapaciteit, naast andere gebruikte locaties zoals Sportcentrum VU. “We verwachten daarom gebruik van de Emergohal voort te zetten en ondersteunen waar we kunnen om de route er naartoe zo prettig mogelijk te laten verlopen voor onze studenten”, reageert de Facilitaire Campus Organisatie op onze vraag over de toekomstplannen van de tentamenhal. De FCO heeft geen inzage gekregen van het interview met Tait-Doak voor publicatie.