Popup-Niks-missen-2.png

OPINIE

30 augustus 2016

Strafhof moet Afrika serieuzer nemen

Het Internationaal Strafhof holt zichzelf uit als het kritiek uit Afrikaanse staten blijft negeren, vindt Marieke de Hoon.

In juli verzocht het Strafhof de VN Veiligheidsraad maatregelen te nemen tegen Oeganda en Djibouti. Dit omdat deze staten hebben nagelaten de door het hof gezochte Soedanese President Omar al-Bashir te arresteren vanwege zijn rol in het gruwelijke geweld tegen de burgerbevolking van Darfur. Volgens het Strafhof hebben staten de plicht om Bashir aan te houden en uit te leveren als hij zich op hun grondgebied bevindt. Volgens Oeganda en Djibouti en vele andere staten van de Afrikaanse Unie hoeven zij dit niet omdat hij als staatshoofd immuniteit geniet.

Bashir heeft vele, vooral Afrikaanse, landen bezocht die weigeren mee te werken met het hof. Hierbij werd stevige kritiek geuit: soms juridisch van aard, maar vaak werd het hof ook bestempeld als ‘racistisch vehikel’ of als ‘neo-kolonialistische macht’ die zich specifiek tegen Afrikaanse landen richt. Inmiddels treffen Kenia, Namibië en Zuid-Afrika voorbereidingen om het Strafhof mogelijk zelfs te verlaten en wordt de polarisatie tussen Afrikaanse en westerse landen steeds groter.

Vanuit westerse staten en het Strafhof zelf wordt vaak geïrriteerd gereageerd op de kritiek, en worden vooral pogingen gedaan om de zegeningen van het hof nog eens goed uit te leggen. Deels is dit begrijpelijk: de kritiek vanuit Afrikaanse staten kan niet altijd los worden gezien van het eigenbelang van leiders zoals de Soedanese president Omar al-Bashir.

Toch is het onverstandig en onterecht om de kritiek vanuit Afrikaanse landen en samenlevingen af te doen als louter propaganda voor criminele leiders. De kritiek gaat dieper dan dat en het hof (samen met de staten die partij zijn) zou de kritische signalen serieuzer moeten nemen en opener de dialoog moeten aangaan. Slachtoffers van internationale misdrijven gaven al vaker aan dat ‘gerechtigheid’ voor hen niet per se strafrechtelijke vervolging op internationaal niveau hoeft te betekenen, maar dat ook sociale, verdelende gerechtigheid, een nadruk op herstel van relaties, en waarheidsvinding in bredere zin meer de aandacht moeten krijgen.

Het Strafhof streeft echter, uit de aard van de organisatie, één bepaalde invulling van gerechtigheid na: het vervolgen van individuele verdachten in leiderschapsposities. Hoewel vervolging belangrijk is, sluit de prioritering van een strafrechtelijke aanpak niet altijd aan bij de behoeften van slachtoffers.  

Het Strafhof en zijn supporters moeten daarom de dialoog met de critici serieuzer gaan voeren om te voorkomen dat deze strijd tussen het hof en Afrikaanse staten verder intensiveert en de steun voor het hof verder afneemt. Als staten het hof blijven tegenwerken en wellicht ook daadwerkelijk gaan verlaten, blijft het hof uitgehold achter. 

Het is daarom belangrijk dat er meer oog en oor komt voor de manier waarop getroffen gemeenschappen het ideaal van rechtvaardigheid willen invullen. Het is hoog tijd voor kritische reflectie op de rol en beperkingen van het hof en een open oor voor de behoeften van getroffen gemeenschappen. Nederland, als gastland van het hof,  zou bij dit proces een belangrijke rol kunnen en moeten vervullen.

Marieke de Hoon, universitair docent volkenrecht en Wouter Werner, hoogleraar volkenrecht

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.