Opinie

12 februari 2019

Rechtspraak niet alleen voor de rijken

De plannen met de rechtsbijstand van minister Dekker scheppen ongelijkheid.

De plannen met de rechtsbijstand van minister Dekker scheppen ongelijkheid, stelt Wouter Veraart.

Door de toegang tot de rechter voor minvermogenden afhankelijk te maken van een beslissing van een poortwachter, creëert minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker een tweedeling in de rechtsstaat. Burgers met voldoende eigen geld worden namelijk niet aan zo’n triage onderworpen.
In een brief aan de Tweede Kamer schetste Dekker de contouren van een toekomstig stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Hij wil problemen van rechtsbijstandsgerechtigden voortaan het liefst buiten de rechter om oplossen. De gang naar de rechter wordt in veel gevallen afhankelijk van een beslissing van een onafhankelijke instantie, waartegen bezwaar en beroep mogelijk zijn. Het is de bedoeling dat deze poortwachter slechts toegang tot het recht verschaft als daarvoor echt een goede reden is.
Dekker suggereert dat die reden er vaak niet zal zijn, omdat problemen van minvermogenden vaak veel beter ‘integraal’, door een netwerk van ‘oplossingsgerichte’ instanties, kunnen worden aangepakt.
Dekkers poortwachter doet denken aan het korte verhaal ‘Voor de wet’ van Franz Kafka. Dat begint zo: ‘Vóór de Wet staat een wachter. Bij deze wachter komt een man van buiten en verzoekt toegang tot de Wet. De wachter zegt dat hij hem nu geen toegang kan verlenen. De man denkt na en vraagt of hij dan naderhand naar binnen zou mogen. ‘Het is mogelijk’, zegt de wachter, ‘maar nu niet.’
Deze passage kan helpen begrijpen wat er fundamenteel verkeerd gaat in het plan van Dekker. Ook de minvermogende Nederlandse burger moet straks een heel hoge drempel over voordat hij eventueel zijn recht kan halen bij een onafhankelijke rechter. De poortwachter kan hem de weg naar de wet in veel gevallen versperren. Dan resteren slechts procedures van bezwaar en beroep tegen die afwijzende beschikking.
Daarmee creëert de minister een bureaucratisch labyrint dat schijnbaar de bedoeling heeft om afschrikwekkend te werken.
Niemand zal ontkennen dat het de voorkeur heeft om problemen zelf op te lossen, en liefst ook buiten het recht om. Dat neemt niet weg dat burgers met elkaar of met instanties kunnen botsen, óók met instanties die zijn opgericht om bepaalde problemen voor hen op te lossen. Zij kunnen hun macht misbruiken of de rechten van hun cliënten al dan niet opzettelijk met voeten treden. Juist minvermogende burgers hebben in zo’n geval behoefte aan een laagdrempelige toegang tot een onafhankelijke geschillenbeslechter, die in staat is om hun rechten te beschermen tegenover machtige instanties. In Nederland vervult de rechter die belangrijke rol.
Dekker probeert die toegang tot de rechter drastisch te beperken en verwijst minvermogenden terug naar de instanties waarmee zij wellicht in de clinch liggen. Zij komen daarmee in een vicieuze cirkel terecht.
Dat gerechtelijke procedures geen wondermiddel zijn, weten rechters ook.
Inmiddels zijn er binnen de rechtspraak veelbelovende initiatieven ontplooid, waarvan de spreekuurrechter, de schuldenrechter en de buurtrechter enkele voorbeelden zijn. Maar wie meent dat minvermogende burgers verstoken mogen blijven van rechtvaardige procedures zolang hun ellende maar wordt ‘opgelost’, miskent het feit dat ook zij volwaardige rechtssubjecten zijn. Die verdienen dezelfde aanspraak op respect en rechtsbescherming als iedere andere ingezetene van Nederland, inclusief de minister zelf.

De auteur is hoogleraar rechtsfilosofie aan de VU.

Dit is een bewerkte versie van een opiniestuk dat eerder is verschenen in dagblad Trouw.

Wouter Veraart

hits 148

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.