Opinie

06 februari 2014

Geef docenten perspectief

Het was even schrikken, toen de VU de proefaudit onderwijskwaliteit niet haalde. Maar in alle nota’s en conferenties sindsdien prevaleert toch weer het onderzoek boven het onderwijs. Meindert Flikkema stelt een radicale omslag voor.

Een paar jaar geleden werd de buurt waarin ik woon, verrast door de mogelijke komst van een hostel voor zwervende drugs- en alcoholverslaafden. De gemeente Amersfoort had met zorg vier potentiële locaties uitgezocht en na inspraak door burgers zou een voorkeurslocatie worden vastgesteld. Dat de gemeente zich niet hoefde in te spannen om die inspraak te mobiliseren, zult u willen geloven. Binnen tien minuten nadat de gemeente over de locaties had gecommuniceerd, kwam de buurt online en later op locatie in beweging, en hoe! Het was immers in ieders belang om betere argumenten te vinden dan Not In My Back Yard én om die argumenten overtuigend te delen met de Amersfoortse gemeenteraad. Omdat echter vrijwel iedereen de noodzaak van opvang en hulp voor zwervende drugs- en alcoholverslaafden onderschreef, werd vooral gezamenlijk gezocht naar nieuwe locaties en logistieke mogelijkheden. Geen enkele buurtgenoot had formeel de leiding. Leiden en dienen wisselden elkaar lenig af. De buurt mobiliseerde zichzelf en alle bruikbare competenties werden efficiënt gevonden, gecombineerd en benut.

Het is te stil

Nu naar de VU. Hoe zorg je ervoor dat collectief een groter belang wordt toegekend aan het geven en verbeteren van het onderwijs en dat er geen verbeteraars hoeven te worden geworven of aangewezen? Iedereen zal overigens het belang van goed onderwijs beamen, dat blijkt ook uit het meest recente werkbelevingsonderzoek, maar daarna blijft het stil, veel te stil. Ten onrechte, want het geven van kwalitatief beter onderwijs is niet alleen een morele verplichting, maar bovendien de sleutel naar het vergroten van onze maatschappelijke impact en het verder op gang brengen van de daarmee samenhangende derde geldstroom. Die zullen we steeds meer nodig hebben.

Goed onderwijs moet lonen

Dat VU bestuurders - vooral na de bestuurscrisis - positief over onderwijs en kwaliteitsverbetering spreken, geïnspireerd door een positie in de onderste regionen van de Elsevierranglijst, is een goed begin, maar niet genoeg. Dat het halen van een BKO-certificaat een must is voor wetenschappers met een onderwijstaak, ook niet; en hetzelfde geldt voor initiatieven als SKO en onderwijskundig leiderschap. De dienaar is de leider, maar niet zomaar. Het moet voor VU-medewerkers lonen om (nog) beter onderwijs te geven en zich ook voor curriculumverbetering in te spannen, omdat een verzameling goed gegeven vakken niet automatisch een goed curriculum oplevert. Net zoals het nu ook loont om je verder in het onderzoek te bekwamen. Zolang die beloning uitblijft, en extra materiële en immateriële beloning vrijwel alleen een functie is van onderzoeksprestaties, zal het niet lukken om de nieuwe onderwijsvisie of een alternatief daarvoor voldoende in de benen te krijgen. Als gevolg daarvan zullen er vermoedelijk nog meer projectgroepen in het leven worden geroepen. Die en reeds bestaande projectgroepen leveren vrijwel zeker goede voorstellen op; onderwijshandboeken en andere geschriften met goede ideeën en curriculumschetsen. De adoptie van die ideeën blijft vrijwel zeker uit. Ze proberen te ‘implementeren’, of ‘de lijn in te duwen’, zoals recent te lezen viel in het Feweb-magazine Vuurwerk, zal ook hier niet werken. Professionals hebben er namelijk een hekel aan dat 'anderen voor hen denken' en trekken zich bovendien liever snel terug achter research papers, die veel meer carrièreperspectief opleveren. Tijd om kennis te maken met andere docenten om een curriculum te verbeteren wordt nauwelijks genomen, omdat kennis maken op papier het kortste pad is naar meer academische strepen en betere arbeidsvoorwaarden. Leidinggevenden zullen er weinig tot niets aan doen, zij zitten immers in hetzelfde schuitje.

Het is een illusie om te denken dat onderwijsprestaties op de VU en andere Nederlandse universiteiten even belangrijk zullen worden gevonden als onderzoeksprestaties. Dat is ook niet nodig. Wat wel nodig is, is dat op de VU –én elders- niet alleen met mooie woorden over onderwijs gesproken wordt, maar dat er ook serieuze stappen worden gezet om de onderwijsvisie in de benen te helpen. Aan wat voor stappen moet dan worden gedacht?

1. Hoogleraarschap openstellen

Ten eerste zou er voor gepromoveerde UD’s een loopbaanpad moeten komen naar de positie van hoogleraar via excellent onderwijs en het succesvol dragen van de eindverantwoordelijkheid voor curricula. Op dat pad moeten ook onderzoekshindernissen worden genomen, maar het uitgangspunt moet zijn dat een hoogspringer die enkele keren over 2.10 meter springt, zich met recht een goede hoogspringer mag noemen.

2. Honorering gelijktrekken

Ten tweede moet de honorering van gepromoveerde topdocenten, die zich ook voortdurend met onderzoek bezighouden, niet achterblijven bij die van toponderzoekers.

3. Permanent bijscholen

Ten derde moet er structureel budget worden vrijgemaakt om docenten permanent te verbeteren in onderwijs, zoals in andere beroepsgroepen ook gebeurt. Bovendien moet er op worden toegezien dat dit budget ook wordt opgemaakt en de besteding wordt verantwoord!

4. Meer autonomie

Ten vierde moeten we stoppen met het besturen van opleidingen door VU-professionals die zich gekwalificeerd hebben in het onderzoek en die liever besturen dan dat ze voor het bord staan, omdat het eerste meer efficiencywinst oplevert en minder werkdruk. Zoals een van mijn Feweb-collega’s het treffend uitdrukt: ’Teaching really makes you sweat’. En zo is het. Opleidingen moeten meer autonomie krijgen en aangevoerd worden door gepassioneerde, gepromoveerde docenten. Meewerkende voormannen (en vrouwen) die veel oog en oor hebben voor maatschappelijke veranderingen. Die trots zijn op de kwaliteit en de carrièrestart van hun graduates en niet te beroerd om slecht functionerende collega’s aan te spreken op hun prestaties. Die gedwongen winkelnering naast zich neerleggen en die een inspirerend en doorleefd verhaal vertellen over hun opleiding, het didactische model, succesvolle alumni en voorgenomen verbetering. Die snappen dat het ventileren van deskundigheid geen voldoende voorwaarde is voor leerresultaat en dat wetenschappelijk onderwijs meer definitie verdient dan ‘onderwijs gegeven door wetenschappers’.

5. Meer tijd

Ten slotte, de verdeling van onderzoekstijd moet worden herzien. Dat is niet eenvoudig, maar wel nodig. Misschien is het eigenlijk wel het beste om niemand meer onderzoekstijd te geven uit de eerste geldstroom en er alleen op toe te zien dat het onderwijs zeer goed wordt verzorgd door (bijna) gepromoveerde docenten. Dat klinkt misschien belachelijk, maar in de praktijk zal de autonomie van docenten toenemen en er voldoende tijd overblijven voor onderzoek, veel vaker mét studenten.

De inhoud van de recent verschenen HRM-brochure ‘Perspectief voor Wetenschappers’ (PvW) is geen indicatie van een trendbreuk op de VU. Het genomen initiatief tot strategische personeelsplanning is op zich lovenswaardig, maar niet af. Dat kun je uit de titel van de PvW-brochure al aflezen. Hoewel het zelfstandige naamwoord onderwijs best vaak valt, ademt het document net als voorheen ‘gij zult veel publiceren in wetenschappelijke toptijdschriften’ om promotie te kunnen maken. Onderzoeksprestaties blijven een noodzakelijke en voldoende voorwaarde voor bevordering naar een hogere academische rang en onderwijsprestaties een horde die iedere goede onderzoeker in de praktijk kan nemen, hoewel anders zal worden beweerd. Maar dat is ‘praattheorie’, hoewel er best uitzonderingen zullen zijn. Er wordt in de PvW-brochure weliswaar gesproken over hoogleraren met een onderwijsprofiel, maar ook van hen wordt eerst een grote hoeveelheid publicaties verwacht, voordat ze zich mogen wijden aan het innoveren van de taak met in potentie verreweg de meeste maatschappelijke impact –en dat geldt zeker voor de sociale wetenschappen. Het zou mij niet verbazen als deze schaap-met vijf-poten-optie in de praktijk vooral zal worden ingevuld door senior hoogleraren in de eindfase van hun loopbaan. Een gemiste kans!

Mankepoot

Op 28 januari jongstleden werd er in het Auditorium gesproken over het VU-talentbeleid, onder meer aan de hand van vijf ‘grote vragen’ en drie stellingen. In geen van de vijf grote vragen gaat het over het onderwijs en in de drie gekozen stellingen ontbreekt daarvan ook ieder spoor. De rector noemt onderwijs en onderzoek ‘de benen waarop wij als universiteit lopen’. Prachtig, maar in mijn hoofd ontstaat al snel het beeld van een manke die zijn slechte been er steeds opnieuw bij sleept. Het is mijn overtuiging dat we links- en rechtsbenige spelers even hard nodig hebben binnen de universiteit met toekomst. De opstelling of (in HRM-taal) strategische personeelsplanning van de VU staat nog niet. Daar is nog veel mooi werk te doen.

Onderwijsvisie naar het archief

Criticasters van mijn voorstel zullen mordicus tegen zijn en dat vermoedelijk het liefst doodzwijgen. Zij hebben zich immers in veel gevallen ‘ingevochten’ in het huidige systeem, zijn er ‘bijna’ of hebben het mede vormgegeven. Zij zullen vermoedelijk liever voort willen gaan op de onder de vorige VU-rector ingeslagen ‘meetlatweg’. Maar doe je dat, dan kun je de nieuwe onderwijsvisie beter archiveren. Wil je het onderwijs echt een flinke kwaliteitsimpuls geven, dan is er meer nodig vanuit het nieuwe college van bestuur dan onze rector recentelijk in Advalvas één van de redacteuren toevertrouwde. 'Af en toe een zetje geven’ klinkt te veel als doorgaan op de ingezette weg en de VU met voldoende op papier gezet initiatief door de eerder gemiste instellingstoets loodsen. Om vervolgens weer over te gaan tot de orde van de dag. Het wordt tijd voor een nieuwe orde!

Geloof, hoop en liefde

De Vrije Universiteit doet haar identiteit geweld aan als zij niet opnieuw een unieke positie gaat innemen in het universitaire landschap. Een positie waarin kennis maken en kennis productief maken elkaar versterken in plaats van belemmeren. Dat zou toch de wens en tegelijkertijd de taakopdracht van een community of learners moeten zijn? Een positie waarin kennisvalorisatie geen doel is maar een vanzelfsprekendheid, we gemotiveerde studenten opleiden tot junior wetenschappers en inspireren tot geëngageerd burgerschap. Een positie waarin de ‘jeugdopleiding’ staat als een huis en het ontbreekt aan  mogelijkheden voor wannabe professors van buiten, die onderzoekstijd komen halen en daarna weer snel vertrekken. Dát is verder kijken! Een positie vrij van regimes waarin ranglijsten centraal staan, het wereldkampioenschap publiceren wordt vergeven en waarin je volgens de communis opinio ‘gestraft’ wordt met onderwijs als het onderzoekproces niet (snel genoeg) oplevert wat je er van hoopt of verwacht. Een positie waarin de bestuurlijke pendule niet de ene keer richting onderzoek slaat en vervolgens weer geforceerd en op basis van externe taakstelling naar onderwijs, omdat we opnieuw in de degradatiezone zijn beland. Een positie waarin het belang van goed onderwijs niet alleen ‘praattheorie’ is, maar ook ‘doetheorie’. Een positie waarin dienstbaarheid, vakmanschap en diversiteit doorleefde kernwaarden en dus coördinatiemechanismen zijn. Een positie waar met respect naar wordt gekeken en bewonderend over wordt gesproken in de samenleving. Een positie die een manifestatie is van geloof, hoop en liefde, en waarbij ‘de ander’ het brandpunt is van geloven. Die positie ligt voor het grijpen, maar het zetten van de stap naar die positie vraagt om moed en vastberadenheid.

Vrije universitet

Als het onze gemeenschappelijke wens is om zo’n nieuwe impuls aan de VU-identiteit te geven, opnieuw vrij te zijn en veel meer economische, morele en sociale impact te hebben, dan is de uitdaging die voorligt om het onderzoek beter te maken via beter onderwijs en andersom. Daar zijn veel verschillende talenten voor nodig! Die moet je allemaal perspectief bieden.

Meindert Flikkema – universitair hoofddocent Faculteit der Economische Wetenschappen en Bedrijfskunde.

{ Lees de 9  reacties }

hits 3
Door Peter Peverelli op 08 februari 2014

Ik ben het 100% met Meindert eens. Ik wil aan zijn betoog echter nog het volgende toevoegen.

Wetenschappelijk Personeel in Nederland heeft traditioneel een drieledige taak:

1. wetenschappelijk onderwijs; onderwijs waarbij studenten gestimuleerd worden het onderwerp van het betreffende vak te problematiseren en vanuit meerdere perspectieven te begrijpen;
2. wetenschappelijk onderzoek; onderzoek waarbij het te onderzoeken thema geproblematiseerd en vanuit het paradigma waarbinnen de betrokken onderzoeker opereert beschreven en geanalyseerd wordt;
3. maatschappelijke dienstbaarheid; dit is een breed scala van activiteiten met als gezamenlijk kenmerk dat de academici hun specifieke vakkennis gebruiken om (groepen) niet-academici thema’s binnen hun specialisme uit te leggen. Dat kan via het schrijven van ingezonden stukken in kranten gebeuren, of in de vorm van een interview, middels populair wetenschappelijke publicaties, e.d.

Je kunt je in ieder aspect op verschillende manieren verdienstelijk maken.

Binnen onderwijs kun je spetterend onderwijs geven en hoog scoren in de evaluaties. Je kunt ook non-generieke vakken ontwerpen, vakken die jouw vakgroep of faculteit doet onderscheiden van die van concurrerende universiteiten. Je kunt zelfs heel nieuwe studierichtingen ontwerpen.

Op onderzoeksgebied kun je veel publiceren, of minder maar in wel toppublicaties. Je kunt nieuwe onderzoeksgebieden ontginnen of nieuwe discussies aanzwengelen in gebieden waarvan men dacht dat alles al wel gezegd was. Daarnaast is het, zeker heden ten dage, belangrijk dat je contacten met collega’s van andere universiteiten in binnen-, maar met name buitenland legt. Internationalisering is een van de steunpilaren voor het voortbestaan van een faculteit of universiteit.

Sommige wetenschappers worden veel door de media gevraagd, omdat het publiek vindt dat hun mening ertoe doet, of omdat ze wat, we tegenwoordig noemen, de X-factor hebben, of omdat ze plezier hebben in het schrijven van meer populair wetenschappelijke artikelen en boeken en zo een grotere maatschappelijke impact bereiken. Dat laatste straalt ook op jouw faculteit en universiteit af.

Eén persoon zal zelden in alle drie aspecten uitblinken. Iedere wetenschapper heeft een eigen unieke persoonlijke mix van kwaliteiten. Bovendien vereist de diversiteit dat het wetenschappelijk personeel van een vakgroep en faculteit een goede mix van mensen met verschillende sterkten heeft.

Promotie van wetenschappelijk personeel dient te geschieden op basis van alle drie taken. Wat minder uitblinken op een gebied kan gecompenseerd worden met grotere sterkte op een ander.

Het huidige promotiebeleid kijkt echter uitsluitend naar de publicaties kijkt en dan nog door een zeer eenzijdige bril (toptijdschriften, high impact publicaties, enz.). Dit leidt tot een aantal onwenselijke situaties.

− Op het ethische vlak is dit promotiebeleid voor het wetenschappelijk personeel onrechtvaardig.
− De onevenredige nadruk op publicaties is de drijvende factor achter het achterblijven van onderwijs.
− Er bestaat bij mijn weten geen onderzoek naar het effect van de ratrace voor publicaties op de maatschappelijke betrokkenheid van wetenschappers, maar ik kan me voorstellen dat veel collega’s geregeld dit soort vragen negatief beantwoorden, omdat het niets oplevert, geen euro’s en geen punten voor promotie.
− Datzelfde geldt voor populair wetenschappelijke publicaties. Alleen al onder mijn directe collega’s zie ik veel kennis die ook voor een groter publiek dan collegawetenschappers nuttig kan zijn, maar alle tijd die je daarin steekt gaat af van de toch al weinige tijd die je voor schrijven hebt.

Door Fons Trompenaars op 09 februari 2014

Geweldig stuk van Meindert. En dit gezegd hebbende wat kunnen we doen om de onderzoeks cultuur te verbinden met een onderwijs cultuur om ons maatschappelijk dienstbaar te maken? Het valt mij bij vele universitaire instellingen op dat onderzoekers vaak neerbuigend kijken naar onderwijzers en vice versa. Jammer. Het hoeft niet. In onze adviespraktijk waar we onderzoek met onderwijs proberen te verbinden in het domein van cultuurverschillen en leiderschapsontwikkeling, merken we dagelijks dat het ene het andere stimuleert. Is het niet zo dat als je iets moet doceren of schrijven je de diepgaande gedachten die je in je onderzoek wilt toetsen, in een ander perspectief moet brengen? En is het ook niet vaak zo dat als je doceert aan intelligente studenten, dat je er achterkomt dat je een aantal theorieen moet aanscherpen?
Wij hebben in onze praktijk beiden met elkaar proberen te verbinden door onze participanten (veelal praktijkmensen van het hoogste niveau uit internationaal opererende organisaties)te betrekken bij ons onderzoek. En het leuke is dat het resultaat er een is waar we merken dat onze schrijfsels van een hoger niveau zijn dan als we dit vanuit een ivoren toren zouden hebben gedaan. En dat is dan ook een geweldige manier om maatschappelijk relevant te blijven.

Wat ik hier probeer te betogen is dat onderwijs en onderzoek aan elkaar gekoppeld moet worden en dat de scores op beiden met elkaar vermenigvuldigd moeten worden. Dan wordt het weer leuk op de VU. Ga door met de strijd Meindert!

Door Fons Trompenaars op 09 februari 2014

Geweldig stuk van Meindert. En dit gezegd hebbende wat kunnen we doen om de onderzoeks cultuur te verbinden met een onderwijs cultuur om ons maatschappelijk dienstbaar te maken? Het valt mij bij vele universitaire instellingen op dat onderzoekers vaak neerbuigend kijken naar onderwijzers en vice versa. Jammer. Het hoeft niet. In onze adviespraktijk waar we onderzoek met onderwijs proberen te verbinden in het domein van cultuurverschillen en leiderschapsontwikkeling, merken we dagelijks dat het ene het andere stimuleert. Is het niet zo dat als je iets moet doceren of schrijven je de diepgaande gedachten die je in je onderzoek wilt toetsen, in een ander perspectief moet brengen? En is het ook niet vaak zo dat als je doceert aan intelligente studenten, dat je er achterkomt dat je een aantal theorieen moet aanscherpen?
Wij hebben in onze praktijk beiden met elkaar proberen te verbinden door onze participanten (veelal praktijkmensen van het hoogste niveau uit internationaal opererende organisaties)te betrekken bij ons onderzoek. En het leuke is dat het resultaat er een is waar we merken dat onze schrijfsels van een hoger niveau zijn dan als we dit vanuit een ivoren toren zouden hebben gedaan. En dat is dan ook een geweldige manier om maatschappelijk relevant te blijven.

Wat ik hier probeer te betogen is dat onderwijs en onderzoek aan elkaar gekoppeld moet worden en dat de scores op beiden met elkaar vermenigvuldigd moeten worden. Dan wordt het weer leuk op de VU. Ga door met de strijd Meindert!

Door Dr. Marius Rie… op 10 februari 2014

De discussie die Meindert aanzwengelt sluit aan bij een breder debat over het maatschappelijk nut van wat nu verstaan wordt onder toponderzoek. Er is een perverse prikkel ontstaan om veel papieren tijgers te publiceren ten koste van hun maatschappelijke relevantie. Data worden haastig verzameld, zelfs tijd voor het verzamelen van de per definitie onbetrouwbare survey-data ontbreekt. De kloof tussen theorie en praktijk is groot. De beste manier om met dit probleem om te gaan is om objectieve performance data te verzamelen en hierop degelijke theorieën te bouwen. Ik doe dit zelf door de gedragsanalyse (conditioneringstheorie)te introduceren in Nederland via VU-ADRIBA en (postdoctoraal) onderwijs. De volgende ambitie is om via toptijdschriften vakgenoten van het belang hiervan te overtuigen voor mijn vakgebied, de bedrijfskunde. Mijn ervaring is wel dat het aantal toponderzoekers, met ook al haar beperkingen, schaarser is dan het aantal potentiële goede docenten (waaronder consultants), zodat het prijsmechanisme toponderzoekers begunstigt.

Door Onno Bouwmeester op 11 februari 2014

Topdocenten als bestuurders.

Ik sluit me aan bij Meinderts betoog. Mijn aanvulling hierop is dat besturen van faculteiten en universiteiten per toerbeurt docenten laten meedraaien die een onderwijsprijs hebben gewonnen, facultair of universitair. Besturen kunnen zich dan laten inspireren door ideeen die aan de praktijk getoetst zijn. Het helpt de besturen niet alleen meer legitimiteit te krijgen, maar ook om hun ideeen te verbeteren. Ze hoeven deze topdocent alleen maar te vragen of voorgesteld beleid hun zou helpen, frustreren of dat het er weinig toe doet. Luisteren naar topdocenten zal ons verder helpen bij het op de juiste wijze investeren in onderwijs.

Door Peter Peverelli op 13 februari 2014

Hoewel ik mijn mening over het opiniestuk van collega Meindert Flikkema al toegevoegd heb, wil ik na lezing van het jongste papieren nummer van AdValvas toch nog iets toevoegen, of beter de aandacht vestigen op het artikel op pag, 18 getiteld ‘De 24/7 prof’.

Je hoeft de samenvatting bovenaan die pagina slechts te lezen om de relevantie ervan voor ons opiniestuk te zien: de werkdruk wordt groter; maak je borst maar nat. Een docent wordt ook ‘voorlichter, loopbaanbegeleider en tutor’.

De auteur van deze tekst geeft blijk van weinig inzicht in het echte dagelijkse werk van een docent. Graag wil ik mijn stelling middels een deconstructie van de tekst onderbouwen.

In de samenvatting staat de uitdrukking ‘komen er bij’. Dat duid erop dat de auteur gelooft dat wij ons momenteel nog niet met deze taken bezig houden. Meer formeel doen mijn collega’s en ik geregeld mee aan voorlichtingsprogramma’s voor middelbare scholieren. Maar ook informeel zijn wij 24/7 ambassadeurs van de VU. Meer formeel begeleiden wij studenten bij hun scripties en individuele projecten als onderdeel van vakken. Meer informeel weten studenten ons geregeld te vinden met hun persoonlijke problemen. Ik mijn specifieke geval krijg ik, als Mr China (zie: http://www.advalvas.vu.nl/nieuws/vu-studenten-kunnen-nu-minor-china-vol…), vaak verzoeken voor een persoonlijk gesprek over stages, studeren en werk in China. Mijn deur staat niet alleen altijd voor hen open, ik zoek ook actief naar stagemogelijkheden voor onze studenten in China.
In diezelfde hoedanigheid geef ik gastcolleges in China, praat ik met een groot scala aan Chinese organisaties over de VU om onze universiteit naamsbekendheid te geven, recruteer ik Chinese promovendi op PhD Workshops, ben ik actief op sociale media om te laten zien welk onderzoek er binnen de VU in China verricht wordt, etc. Als dat geen voorlichting is, wat dan wel?

Na de inleiding komen we op de titel. Ik zie daar ‘prof’ staan. Dit verwijst naar het rangensysteem van universitaire docenten en dus ook naar het promotieproces. Daarover hebben wij hierboven al uitgebreid gediscussieerd. Ik lees in dit stuk geen enkele consequentie van de toename van taken die ons toebedacht worden voor promotiecriteria. Als ‘voorlichter etc.’ zo’n belangrijke taak voor iedere wetenschapper is, dan zou je verwachten dat hoog scoren bij die taken bij promotie mee zou tellen. Dit aansnijden zou deze tekst aanmerkelijk verbeterd hebben. De praktijk is nu dat wij wel degelijk al voorlichter etc. zijn, maar dat het uitvoeren van die taken niet meetelt. Geen wonder dat de meeste docenten er dan zo min mogelijk tijd en moeite in steken.
Ik wil het kort houden, dus laat ik het bij deze kernopmerkingen. Er valt nog veel meer te zeggen.

Samenvattend: dit artikel is letterlijk kortzichtig en schaadt het beeld van de universitaire docent. Het bewijst dat Meindert Flikkema’s opiniestuk op het goede moment gepubliceerd is.

Door Floor Bal op 14 februari 2014

Als ik het goed begrijp, vind je dat ik als auteur van het artikel '24/7 prof' het opiniestuk van Flikkema moet lezen. Niet alleen heb ik in de papieren Advalvas Flikkema geïnterviewd over zijn opiniestuk (pagina 24), ook in '24/7 prof' komt hij weer aan het woord.

Daarnaast gaat mijn artikel er juist over dat naast alles wat docenten al doen, deze taken er officieel bijkomen. Zonder dat daar een vergoeding of compensatie tegenover staat. Nergens staat dat docenten nu niks op dit gebied doen, maar wat er gebeurt verschilt per docent. Straks wordt het allemaal verplicht gesteld. En dat is een heel ander verhaal dan vrijwillig op sociale media actief zijn. Daarbij bepaal je zelf je tijdsinvestering.

De bedoeling van het artikel was om te laten zien dat docenten het al druk hebben en het straks alleen maar zwaarder krijgen.

Door Peter Peverelli op 15 februari 2014

Een goed criticus kijkt ook critisch naar zichzelf. Als mijn reactie het idee geeft dat het om kritiek op de brenger van de boodschap gaat, i.p.v. de boodschap, dan is dat mijn fout. Ik probeerde de emoties weer te geven die veel collega’s hebben bij het vernemen van deze plannen.

De aannames die ik noem blijven staan, maar dat zijn uiteraard de aannames van degenen die de maatregelen voorstellen, niet per se van degenen die erover berichten. Laten we hopen dat deze discussies ook bij het de uiteindelijke besluitvorming meegenomen worden.

Er bestaan kennelijk enorme verschillen over taken die nodig zijn om een universiteit goed te laten functioneren en de vertaling ervan in posities voor werknemers. Als ‘de leiding’ maatregelen wil nemen en ervoor zorgen dat die ook daadwerkelijk uitgevoerd worden, moeten die verschillen eerst aangesproken worden.

Door Filip van den Bergh op 24 februari 2014

Dit is een goed stuk dat past binnen een reeks van recente artikelen waarin een grote onvrede over het functioneren van de universiteiten wordt blootgelegd (science in transition, verontruste VU). Extra interessant aan dit specifieke stuk is dat Meindert Flikkema met een klein aantal oplossingen komt. Het lijken mij bovendien oplossingen die uitvoerbaar zijn in de komende jaren.
Wel vraag ik mij af of de sturingsmechanismen waaraan de universiteiten onderhavig zijn niet te sterk zijn om te overkomen met dit soort maatregelen binnen een enkele universiteit. Specifiek is het mij dan te doen om de manieren waarop geld verdeeld wordt binnen en tussen universiteiten. Ik vraag mij af of een universiteit die de oplossingen die hierboven worden beschreven invoert niet ten onder kan gaan aan het eigen onderwijssucces.
Daarom vrees ik dat verandering van onderaf moeilijk wordt, en dat de overheid op een andere manier met haar universiteiten om zal moeten gaan voor de door dr. Flikkema gesignaleerde problemen kunnen worden opgelost.

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.