Beïnvloeding van WODC-onderzoek is niet 'onvermijdelijk'

OPINIE

21 december 2017

Beïnvloeding van WODC-onderzoek is niet 'onvermijdelijk'

Het gezag van het WODC, het onderzoeksinstituut van het ministerie van Justitie en Veiligheid, is aan gruzelementen. En dat is onterecht, vindt emeritus hoogleraar Henk Elffers, die menig WODC-onderzoek begeleid heeft.

Nadat het programma Nieuwsuur deze maand ruchtbaarheid had gegeven aan een klacht van een klokkenluidster over ongepaste pogingen van de directeur WODC en beleidsambtenaren van het ministerie van Justitie en Veiligheid om haar onderzoek en zelfs de conclusies ervan te beïnvloeden, is er in reacties een beetje een sfeer ontstaan van ja, wat had je dan gedacht?’ en ‘dat is toch onvermijdelijk?’ Die reacties moeten we verwerpen. Er is helemaal geen sprake van een voortdurende ongepaste beïnvloeding van onderzoek door of in opdracht van het WODC, en het is ook precies de bedoeling van de klokkenluidster om te klagen dat het in haar geval, geheel in strijd met wat hoort, toch gebeurd is.

Laten we eens kijken naar de rol van begeleidingscommissies bij WODC-onderzoek. Een begeleidingscommissie is er om erop toe te zien dat onderzoek binnen de vastgestelde kaders van een onderzoeksopdracht gebeurt, en dient daarbij als klankbord voor de onderzoekers, probeert waar nodig deuren te openen, en moet, wanneer een onderzoek onverhoopt op onoverkomelijke moeilijkheden stuit, een wijziging van de opzet al of niet goedkeuren, zodat een deel van het onderzoek niet of anders zal worden uitgevoerd. Mijn ervaring als lid of voorzitter van talloze WODC-begeleidingscommissies is dat dat ook in de meeste gevallen zo gaat.

In deze fase is wederzijdse beïnvloeding nog vanzelfsprekend

De gang van zaken bij een WODC-onderzoek hoort te zijn dat een beleidsafdeling van het ministerie van J en V aanklopt bij het WODC met een vraag, waarop het WODC een wetenschappelijk onderzoek specificeert dat die vraag kan beantwoorden. In die fase is er overleg tussen beleidsafdeling en WODC (‘dit willen we weten’ versus ‘zo kan je dat te weten komen en dan krijg je dit-en-dat soort resultaten te zien’). Daarbij is wederzijdse beïnvloeding vanzelfsprekend, en als een beleidsafdeling in dat proces bemerkt dat de uitkomsten van een dergelijk onderzoek nadelig zouden kunnen zijn, kan men eventueel afzien van het onderzoek, of de vraag zo herformuleren dat er een ander onderzoek zal worden aangeboden.

Wie gun je de opdracht? De huidige procedure maakt manipulatie mogelijk

Is er eenmaal overeenstemming over de onderzoeksvraag en -opzet, neergelegd in een zogeheten WODC-startnotitie, dan wordt door het WODC besloten dat ofwel het WODC zelf het onderzoek zal uitvoeren, ofwel een aantal onderzoekers zal worden verzocht offerte uit te brengen. In beide gevallen wordt een begeleidingscommissie ingesteld. Uit de tweede helft van de klacht van de WODC-klokkenluidster blijkt dat de selectie van wie wordt gevraagd offerte uit te brengen, en hoe het WODC bepaalt aan wie de opdracht wordt gegund, onvoldoende helder is en derhalve een aangrijpingspunt voor manipulatie vormt. Dat is zeer zorgelijk, daar moet een eenduidige set regels voor worden ontworpen. Het heeft echter niet met de taak van een begeleidingscommissie te maken.

Voor de begeleidingscommissies worden drie typen leden aangezocht:

a. Onafhankelijke wetenschappers, die hun sporen hebben verdiend met onderzoek in of rond het betrokken veld, maar die niet gerelateerd zijn aan de uitvoerders; een van hen wordt de voorzitter;

b. Een of enkele medewerkers van het betrokken beleidsveld. Dat kunnen mensen van de betreffende beleidsdirectie zijn, of van uitvoerende diensten (zoals de politie of het OM).

c. Eén medewerker van het WODC (uiteraard niet degene die het onderzoek uitvoert,mocht besloten zijn tot interne uitvoering van het onderzoek).

Voor de goede orde, die beleidsmensen zitten niet in de commissie om invloed uit te oefenen op de richting van het onderzoek en de conclusies. Ze nemen deel om de onderzoekers voor te lichten over de gang van zaken in het betreffende veld, waar data te verkrijgen zijn, soms ook om te verduidelijken uit welke gedachtegang de vraagstelling is ontstaan, en om te helpen om waar nodig medewerking van beleids- en uitvoerend personeel voor elkaar te krijgen.

Als onderzoekers een ongepaste poging tot beïnvloeding zouden bemerken moeten zij zich onverwijld tot de voorzitter wenden

Natuurlijk komt het weleens voor dat zo’n beleidsman of -vrouw die rol uit het oog dreigt te verliezen en dat hij of zij probeert wél invloed uit te oefenen op onderzoeksopzet, analyse of de presentatie van resultaten. Dan is het de taak van de voorzitter om zo’n medewerker tot de orde te roepen. In mijn langjarige ervaring als voorzitter van zulke begeleidings­commissies kan ik zeggen dat in de grote meerderheid van gevallen de betrokken beleidsmensen uitermate constructief en zich bewust van hun rol gedragen. In een kleine minderheid van gevallen heb ik weleens zulke medewerkers moeten verzoeken zich meer van hun rol bewust te zijn. In één geval heb ik daartoe buiten de vergaderingen van de begeleidingscommissies een betrokken medewerker voor nader overleg uitgenodigd, en haar gevraagd haar gedragslijn te wijzigen, omdat ik haar anders zou moeten verzoeken de commissie te verlaten, waarop zij zich, geschrokken, verder volgens het boekje heeft gedragen. Er is hier ook een taak voor de onderzoekers: als zij een ongepaste poging tot beïnvloeding zouden bemerken moeten zij zich onverwijld tot de voorzitter wenden, die zulks dan zal agenderen.

Is het onderzoek eenmaal afgerond, en door de begeleidingscommissie aanvaard als een correcte uitvoering van het in de startnotitie gevraagde onderzoek, dan treedt een periode van zes weken in waarin de opdrachtgever de tijd krijgt om zich te beraden op hoe met de onderzoeksresultaten om te gaan. Dat is uiteraard een politiek proces, maar het kan niet leiden tot een verandering van het onderzoeksverslag, dat hoe dan ook na die zes weken wordt gepubliceerd. Het kan wel leiden tot de formulering van een reactie of standpunt van het ministerie, waarin wordt duidelijk gemaakt hoe men die resultaten duidt of wat men denkt te gaan doen.

Zulk gedrag is onaanvaardbaar

Tot zover de theorie. Het zorgelijke van de klokkenluidstersklacht is dat getoond wordt dat er ook buiten de begeleidingscommissie om invloed op onderzoekers wordt uitgeoefend, in haar geval door de directeur van het WODC, en nota bene met de expliciete opdracht om daarover niets aan de begeleidingscommissie te zeggen. Zulk gedrag is onaanvaardbaar, het slaat de bodem weg onder de zorgvuldige constructie die beleidsinvloed en uitvoering van het onderzoek zo nauwkeurig scheidt, en het draait de begeleidingscommissie een rad voor ogen, terwijl het bovendien de betrokken onderzoekster in een onmogelijke positie plaatst.

Niet schouders ophalen, maar maatregelen nemen

De schok dat dit achter de rug van begeleidingscommissies om is gebeurd, is groot onder hen die wel eens in zulke commissies functioneren. Het bijverschijnsel van dit ongepaste gedrag van de directeur van het WODC, is dat nu alle onderzoeken en alle onderzoekers van dat instituut in een kwaad daglicht zijn komen te staan, terwijl dat ongetwijfeld in veruit de meeste gevallen niet terecht is. Omdat we echter niet kunnen uitsluiten dat zulke ongepaste invloed vaker is uitgeoefend, is het gezag van het WODC en van onderzoek dat op verzoek van het WODC is gedaan aan gruzelementen. Anders dan enigszins schouderophalend zeggen dat beïnvloeding nou eenmaal onvermijdelijk is, dient de structuur met onafhankelijke begeleidingscommissies te worden versterkt, door van de WODC-leiding bij elk onderzoek een verklaring te eisen dat alle bedenkingen die wie ook bij het WODC of het ministerie mag hebben, ook al is het de directeur, slechts via de voorzitter van de begeleidingscommissie naar voren worden gebracht. Dan en alleen dan kan de commissie zich een oordeel vormen of die bezwaren gepast zijn. Ik raad de minister aan de regels in dier voege te veranderen. En een directeur die zich daar niet eigener beweging aan heeft gehouden heeft zijn krediet verspeeld.

De auteur is emeritus hoogleraar afdeling strafrecht en criminologie VU, voorzitter van de Commissie Ethiek van Rechtsgeleerd en Criminologisch Onderzoek (CERCO) van de faculteit rechten van de VU en het Nederlands Studiecentrum  Criminaliteit en Rechtshandhaving NSCR.

Henk Elffers
hits 3101

{ Lees de 3 reacties }

Beste Henk Elffers, reuze bedankt dat je voor onafhankelijke onderzoekers en begeleidingscommissies zo helder hebt verwoord wat hun rollen en normen zijn, maar nu zeg je aan het begin over fase 1 en ik citeer je even letterlijk: "en als een beleidsafdeling in dat proces bemerkt dat de uitkomsten van een dergelijk onderzoek nadelig zouden kunnen zijn, kan men eventueel afzien van het onderzoek, of de vraag zo herformuleren dat er een ander onderzoek zal worden aangeboden". Maar als onderzoekers daarin al meegaan in fase 1, dan houden ze toch al vanaf het begin onwelgevallige feiten onder de pet? Zo krijgen we toch het probleem van wat "Kempen I" en "Kempen II" is gaan heten. Mijns inziens moeten we als onafhankelijke onderzoekers ook al in deze fase 1 in verhoogde staat van paraatheid komen, en ons ook in deze fase 1 niet laten manipuleren door de vraagstelling. Want zo wordt er toch politiek gestuurd vanuit de vraagstelling? Dat is voor mij de grote les uit Kempen I versus Kempen II. Wat vind jij hiervan? Maar nogmaals alle dank voor je heldere uiteenzetting en steunbetuiging aan het WODC en met vriendelijke groet, Guus

Beste Guus, hartelijk dank voor je reactie. In die voorfase waar ik het over heb zijn er nog helemaal geen onderzoekers in beeld, dan gaat het over de opdrachtformulering. Pas als die in overleg tussen opdrachtgever (meestal een beleidsafdeling van het Ministerie) en het WODC een zogeheten "startnotitie" is opgesteld worden er onderzoekers uitgenodigd daarop te offreren. Merk op dat hier derhalve een grote verantwoordelijkheid voor het WODC ligt, namelijk alleen instemmen met een opdrachtformulering die onafhankelijk onderzoek mogelijk maakt. Ik ben het met je eens dat vervolgens de bal bij de onderzoekers in spe komt te liggen, Je moet op dat moment als onderzoeker heel alert zijn: is het gevraagde onderzoek eigenlijk iets wat ik wil bieden? Als de kadrering van het onderzoek je op dat moment niet bevalt moet je niet offreren. Dat is voor mensen die hun brood verdienen met het doen van opdrachtonderzoek soms niet gemakkelijk, maar dat is wel wat we van een integere onderzoeker mogen vragen: als hij denkt dat binnen de gestelde kaders geen verantwoord onderzoek kan worden uitgevoerd, dan moet hij passen. Het is alsdan verstandig te laten weten waarom je niet wilt offreren.
Vriendelijke groet, Henk Elffers

Beste Henk, we zijn het helemaal eens blijkt, en onafhankelijke onderzoekers moeten dan ook niet worden afgerekend op alleen maar de perverse prikkel van hoeveel geld ze hebben binnengehaald. Dus dan inderdaad beter minder geld binnenhalen en wél onafhankelijk blijven. Groet, Guus.

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.