Opinie

12 maart 2019

Europees leger ja, mits ingebed

Een Europees leger kan onze militaire slagkracht vergroten. Maar het moet zijn ingebed in een bredere veiligheidsaanpak, vindt Trineke Palm.

Eindelijk wordt er weer gesproken over een Europees leger. Al ziet het idee er wat anders uit dan in de jaren vijftig toen het sneuvelde, en de Navo, het trans-Atlantisch bondgenootschap, de veiligheidsarchitectuur van Europa ging bepalen.

Lange tijd maakte Defensie geen deel uit van het integratieproces van Europese lidstaten. Tot de wake-upcall van de Joegoslavië-oorlogen in de jaren negentig. Daaruit ontstond voorzichtig en zeer vrijblijvend een Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB).

Tegen de achtergrond van toenemende spanningen, instabiliteit en onveiligheid aan zowel de oost- als de zuidgrenzen van de Europese Unie zijn er de afgelopen jaren enkele concrete stappen gezet tot meer defensiesamenwerking. De focus ligt hierbij vooralsnog op het gezamenlijk ontwikkelen en aanschaffen van materieel door middel van ‘permanente gestructureerde samenwerking’, Pesco, waarbij 25 lidstaten zijn aangesloten. Zo neemt Nederland deel aan projecten op ondere meer het gebied van logistiek, maritieme mijnenbestrijding en cyber- en radiocommunicatie. Deze projecten worden financieel ondersteund door het Europese Defensie Fonds van de Europese Commissie, die hiermee een voet tussen de deur heeft gekregen in het intergouvernementele GVDB.

In de jaren vijftig betekende een Europees leger niet alleen een gezamenlijke begroting en één commandostructuur, maar ook dat de landen hun nationale legers grotendeels moesten opgeven. Anno 2019 is in de discussie de betekenis van het Europese leger minder eenduidig. Er is een permanent hoofdkwartier opgericht, dat zich vooralsnog voornamelijk richt op de niet-executieve missies van de EU, zoals de trainingsmissies in Mali, Somalië en de Centraal Afrikaanse Republiek. Ook ligt er een voorstel voor een Europese Vredes­faciliteit – een budget van 10,5 miljard euro voor de financiering van militaire operaties.

Een Europees leger gaat verder dan een permanent hoofdkwartier voor niet-executieve missies en een beperkte begroting voor militaire operaties.
In de voorstellen voor een Europees leger domineert een functionalistische argumentatie: het is effectiever en efficiënter als de lidstaten van de EU niet allemaal een geheel leger overeind proberen te houden. Met een Europees leger kunnen de afzonderlijke lidstaten zich toeleggen op specifieke legeronderdelen. Nu zijn er enerzijds door diverse systemen beperkte mogelijkheden om met elkaar te communiceren en samen te werken, anderzijds overlappen onderdelen elkaar. Door een Europees leger kan de militaire slagkracht vergroot worden tegen een gelijke totaalbegroting.

Maar een Europees leger brengt wel degelijk risico’s met zich mee. Militarisering van het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid ligt op de loer. Dat betekent dat het militaire instrument de niet-militaire aanpak van buitenlands beleid en veiligheidsvraagstukken steeds meer gaat overschaduwen. Het is daarom van belang dat een Europees leger voldoende is ingebed in een bredere veiligheidsaanpak. Daarnaast is democratische controle op een Europees leger van cruciaal belang voor de legitimiteit van militaire operaties. Immers, wie draagt de verantwoordelijkheid als militairen sneuvelen en de bodybags komen?

De auteur is postdoc onderzoeker aan Universiteit Utrecht, zij studeerde politicologie en promoveerde aan de VU.

Dit is een ingekorte versie van een opiniestuk dat eerder is verschenen in dagblad Trouw.

Trineke Palm

hits 143

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.

Deze vraag is om te controleren dat u een mens bent, om geautomatiseerde invoer (spam) te voorkomen.