Stil

28 februari 2018

Stil

Met een vriend maak ik huiswerk in zijn kamer. Hij woont in een groot studentencomplex waar ik graag kom omdat er zo veel lieve creatieve mensen wonen, met wie je kunt filosoferen over wat kunst is en wat niet.

Ik ben bezig met een column over werkgroepen. Een boze column, ik heb een hekel aan werkgroepen. Werkgroepen, waarvan docenten blijven volhouden dat ze je voorbereiden op de arbeidsmarkt, doen me denken aan de middelbare school. Waar docenten proberen om ongeïnteresseerde studenten bij de les te houden, waar die studenten in werkgroepvorm nogmaals uitgelegd krijgen wat ze in hoorcolleges hadden kunnen horen, in opgegeven literatuur hadden kunnen lezen.

De vriend krijgt een whatsappbericht.
Hij opent het bericht, leest het, zijn gezicht betrekt, hij wordt heel stil.
“Wat is er?” vraag ik.

In het sms-bericht staat dat een ganggenoot zojuist in zijn kamer aangetroffen is.
Dood. Zelfmoord. Depressie.
“Wie is dat?” vraag ik, “ken je hem?”
“Niet zo goed”, zegt de vriend, “hij was erg op zichzelf. Maar we groetten elkaar. We dronken weleens wat. Zeiden dat we dat vaker moesten doen. Jij hebt hem ook een keer ontmoet. Hij maakte mooie dingen.”

'Hoe kan het nou zo stil blijven? Na zoiets groots?'

Het is moeilijk je te verhouden tot een overledene die je niet echt kent, maar ook niet echt niet kent. Je bent niet verdrietig, maar je voelt toch iets. De vriend en ik zijn allebei van slag. Het is een onwerkelijk idee dat wij, mijn vriend en ik, allebei zo in leven, kibbelden over wie er theewater moest opzetten en het erover eens waren dat werkgroepen altijd ten koste gaan van de ambitieuze student, terwijl in dezelfde ruimte, op hetzelfde moment, op nog geen twintig meter afstand, nog geen vijf deuren verder, iemand besloot de meest definitieve keuze van zijn leven te maken. Helemaal alleen.

“Ik kan het me gewoon niet voorstellen”, zegt de vriend. “Dat je het zo niet meer ziet zitten.”
“Dan heb je geluk”, zeg ik, “dan heb je eigenlijk echt geluk.”
We liggen op onze rug op zijn bed, staren naar het plafond. De deur hebben we op slot gedraaid, alsof we zo iets buiten houden.
“Het raarst aan de dood”, zegt de vriend, “is de stilte. Hoe kan het nou zo stil blijven? Na zoiets groots?”

De hele week probeer ik de column over werkgroepen af te maken. Maar ik denk ook: werkgroepen, waar heb ik het nou over? Deze week valt voor het eerst op dat het weer lente wordt. Ik ruik het. De zon schijnt. Terrassen worden uitgestald. Overal is geluid. Overal is leven.

hits 1181

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.