Parijs (2)

18 april 2018

Parijs (2)

In Parijs heb ik afgesproken met een vriend, maar als ik afspreek met vrienden vergeet ik weleens de afspraak concreet te maken. Dus ik ben in Parijs en bel de vriend en zeg dat ik er ben en dat ik zin heb in koffie/croissants en hij vraagt verbaasd: “Ben je in Parijs?”
“Ja”, zeg ik.
“Hebben we afgesproken?” vraagt hij.
“Ja, toch?” zeg ik.
“O”, zegt hij, “dat heb ik even gemist.”
Gelukkig heeft hij later op de dag toch tijd.

De ochtend heb ik nu voor mij alleen. Ik hou ervan op een nieuwe, vreemde plek zijn. Alsof de hele stad nog openligt. Je iedereen kunt zijn. In het Pompidou blijf ik een tijd staan bij een beeld van Picasso. Ik denk aan hoe leuk het was toen ik nog aan de kunstacademie studeerde en nooit werkgroepen of multiplechoicetentamens had. Opeens weet ik helemaal niet meer waarom ik ben gestopt met de kunstacademie. Dan sta ik een tijdje bij een soort hooibaal in de vorm van een gebroken hart en begrijp ik weer beter waarom.  

'Het is zo sterfelijk, dat likken aan een ijsje'

In de namiddag ontmoet ik mijn vriend op het terras van een café. Hij kust me twee keer en vraagt hoe het gaat.
“Ça va”, zeg ik (we zijn tenslotte in Frankrijk), “met jou?”
“Ça va”, zegt hij. De zon schijnt zachtjes, mensen lopen ijsjes etend langs. De vriend vertelt dat hij mensen die ijsjes eten altijd lief en zielig vindt. Ik vraag waarom, ik ben gek op ijs en hou er niet van als mensen me lief of zielig vinden.
De vriend antwoordt: “Het is zo sterfelijk, dat likken aan een ijsje.”
We zijn een tijdje stil. “Weet je”, zeg ik dan, “ik schrok eergisteren wakker en dacht: hoe ben ik in het leven van een doodnormaal persoon terechtgekomen?”
“Wat bedoel je?” vraagt de vriend.
“Ik woon samen, heb een baan, doe een universitaire studie. Nu ben ik net als iedereen.”
De vriend zucht. “Ik wou dat ik naar de universiteit gegaan was”, zegt hij.
“Zo’n onzin”, zeg ik, “jij doet precies wat je altijd al hebt willen doen. Jij weet wat je bent! Een kunstenaar!”
“Ik had naar de universiteit moeten gaan”, zegt de vriend hoofdschuddend. “Jij hebt straks een baan, terwijl –
“Ik doe sociologie”, onderbreek ik hem, “nauwelijks een studie met baangarantie.”
“- ik straks op straat sta! In de goot lig!”
“Jij bent tenminste in Parijs”, zeg ik.
De vriend glimlacht. “Jij bent ook in Parijs”, zegt hij.

We blijven de hele avond zitten, bestellen zware, rode wijn en rond middernacht kaas en brood en nog meer wijn. We raken aan de praat met de jongen die ons drankjes serveert, een veelbelovend econoom die opeens meer wilde zijn dan alleen zijn werk, overal ontslag nam en naar Parijs verhuisde, en delen een sigaret met hem. Opeens begint het te stortregenen. De mensen op de terrassen schieten gillend uiteen om onder winkelluifels te schuilen. De vriend houdt een platgevouwen kartonnen doos boven onze hoofd zodat we kunnen blijven zitten. De serveerder schuilt in een portiek.

Het overvalt me hoe we in de regen allemaal hetzelfde zijn. Schuilend onder kartonnen dozen, winkelluifels en in portiekjes. Lief en zielig en sterfelijk.

hits 1152

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties.