Wetenschappers zitten klem tussen universiteit en NWO

OPINIE

19 oktober 2011

Wetenschappers zitten klem tussen universiteit en NWO

Hans Radder over het NWO-beleid

De NWO-procedures rond subsidieaanvragen voor wetenschappelijk onderzoek vertonen willekeur, zijn duur en tijdrovend. Tijd voor een grondige studie naar de kosten van de tweede geldstroomfinanciering, vindt wetenschapsfilosoof Hans Radder.

De twee kerntaken van de universiteit zijn onderwijs en onderzoek. Veel recente discussies over de universitaire wetenschap richten zich op het onderwijs. Terecht, want ‘inHollandisering’ is niet een verschijnsel dat beperkt is tot het hoger beroepsonderwijs. Maar ook in het universitaire onderzoek speelt een aantal problemen dat dringend geanalyseerd en aangepakt moet worden. Dit artikel gaat over één van die problemen, namelijk de verhouding van universiteit en NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek. Mijn stelling is dat veel wetenschappelijke onderzoekers klem zitten tussen universiteit en NWO. Enerzijds is het universitaire onderzoek steeds afhankelijker geworden van het NWO-beleid; anderzijds heeft de implementatie van dit beleid te kampen heeft met een aantal fundamentele problemen die een doelmatige en optimale wetenschapsbeoefening in de weg staan. De vraag is of de universitaire wetenschappers zich nog kunnen ontworstelen aan deze beklemmende situatie. Aan het slot van dit artikel zal ik een voorstel formuleren om tenminste een stap in die richting te zetten.

Barre omstandigheden

Om te beginnen moet deze problematiek in de huidige maatschappelijke en wetenschappelijke context geplaatst worden. De drie meest relevante kenmerken van het huidige universitaire onderzoek zijn de volgende. Ten eerste hebben de universiteiten te maken met slechte, en soms zelfs met barre, financiële omstandigheden. Op sommige universiteiten (bij voorbeeld VU Amsterdam en Maastricht) geldt een vacaturestop, waardoor de contracten van tijdelijke medewerkers niet verlengd worden en bij vertrek van vaste medewerkers geen vervangers aangesteld worden. Gevolg is dat hetzelfde werk door minder mensen gedaan moet worden. Soms worden hele afdelingen opgeheven, zoals de afdeling geschiedenis en methodologie van de economie aan de Universiteit van Amsterdam. In mijn eigen faculteit (Wijsbegeerte, VU Amsterdam) is er sinds 2010 geen facultair geld beschikbaar voor conferentiebezoek en organisatie van wetenschappelijke bijeenkomsten, terwijl wij tegelijkertijd wel beoordeeld worden op onze (inter)nationale contacten en samenwerkingsverbanden. Om hun financiële problemen het hoofd te bieden hebben de universiteiten hun modellen voor de financiering van het wetenschappelijk onderzoek aangepast. Aan veel instellingen is een substantieel deel van de financiering van het onderzoek van afdelingen of faculteiten afhankelijk gesteld van het succes bij het binnenhalen van externe onderzoekssubsidies. De belangrijkste Nederlandse verstrekker van dit soort subsidies is NWO.

Permanente concurrentie

Gerelateerd aan deze problematiek is een verschuiving in de evaluatie van wetenschappelijk onderzoek: van de beoordeling van resultaten naar de beoordeling van plannen. Wetenschappers zijn altijd al beoordeeld op de kwaliteit van hun resultaten, primair in de vorm van de aanvaarding of afwijzing van artikelen of boeken die ter beoordeling opgestuurd worden aan tijdschrift- of boekuitgevers. Maar door de hierboven geschetste ontwikkeling is er in de afgelopen decennia een verschuiving opgetreden van beoordeling van onderzoeksresultaten naar beoordeling van onderzoeksplannen. Meer in het algemeen is in deze periode het aantal onderzoeksbeoordelingen en de omvang van de daarbij gehanteerde procedures sterk  toegenomen. Mede als gevolg van het nog steeds dominante neoliberalisme heeft het idee postgevat dat wetenschap blijkbaar het beste gedijt, wanneer de wetenschappers zich constant moeten waarmaken in een permanente concurrentie om de schaarse middelen.

Economisch belang

Een derde kenmerk van het huidige onderzoeksklimaat is een sterk toegenomen nadruk op valorisatie. Deze valorisatie komt in de praktijk vaak neer op een expliciete of impliciete voorkeur voor onderzoek met een direct economisch belang. Opmerkelijk is dat deze trend nu ook doorgedrongen is tot de alfawetenschappen, bij voorbeeld via een NWO-programma dat subsidie verstrekt aan onderzoek met als doel “kennis te genereren die de creatieve industrie versterkt”. Fundamenteel onderzoek, dat bijdraagt aan een algemene kennisinfrastructuur voor de lange termijn, en kritisch onderzoek, dat vraagtekens plaatst bij de heersende wetenschappelijke en maatschappelijke leerstellingen, hebben het moeilijk.

Bètaprofiel

Door deze ontwikkelingen oefenen externe geldschieters als NWO een directe en sterke invloed uit op het universitaire onderzoek. Wel gaat het hier om een complexe problematiek, waarin NWO zeker niet de enige sturende factor is. Enerzijds zijn deze ontwikkelingen structureel verbonden met een neoliberaal wereldbeeld; anderzijds spelen ook de wetenschappers en universiteiten zelf een actieve rol, via het anticiperen op en het reproduceren van deze ontwikkelingen. Daarnaast zal de aard en omvang van de effecten van bovengenoemde ontwikkelingen verschillen per vakgebied. Qua wetenschapsopvatting (dus niet qua onderzoeksthema’s) heeft NWO een bètaprofiel. Dit profiel komt onder andere tot uiting in de nadruk op “focus en massa”, dat wil zeggen in een wetenschapsvisie en beoordelingspraktijk die zich vooral spiegelt aan de natuur- en levenswetenschappen. Gezien dit bètaprofiel zijn de gevolgen van de toegenomen invloed van NWO het grootst in de gamma- en alfawetenschappen.

Veel afwijzingen

Nu zou het feit dat het universitaire onderzoek steeds afhankelijker wordt van externe geldschieters als NWO geen probleem zijn als dit de financiële efficiëntie, de organisatorische doelmatigheid en de inhoudelijke kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek ten goede zou komen. Maar juist dit is zeer twijfelachtig, zoals blijkt uit het bestaan van de volgende fundamentele problemen bij de huidige beoordeling van subsidieaanvragen.

Terwijl op universitaire wetenschappers een permanente druk wordt uitgeoefend om subsidieaanvragen in te dienen, zijn de kansen op succes klein tot zeer klein. Het volgende voorbeeld is representatief (in ieder geval voor de alfa- en gammawetenschappen). De Veni-beurzen zijn bedoeld voor driejarige subsidies aan recent gepromoveerde onderzoekers. In de laatste Veni-ronde voor de maatschappij- en gedragswetenschappen werden 285 voorstellen ingediend; daarvan zijn er in een voorselectie direct 217 afgewezen, terwijl NWO verwacht dat van de resterende 68 er 35 tot 40 (12,3 -14%) gesubsidieerd kunnen worden. Het vele werk voor de 87% afgewezen aanvragen heeft, in ieder geval voorlopig, niets opgeleverd. Naast deze Veni-beurzen zijn er tal van andere subsidievormen en -regelingen met een vergelijkbare selectieprocedure.

Willekeur

Voor dergelijke selectieprocedures zou nog iets te zeggen zijn, wanneer de geselecteerde 13% duidelijk de beste zijn en de resterende 87% duidelijk niet subsidiewaardig. Maar een dergelijke doelmatigheid is onder de huidige omstandigheden op geen enkele manier gegarandeerd, om een groot aantal redenen.

• Ten eerste brengt de voorselectie door een kleine commissie een grote mate van willekeur met zich mee, omdat er geen sprake is van een aparte beoordeling door onafhankelijke, ter zake kundige specialisten.

• Ten tweede gaat het steeds om nog uit te voeren plannen, die veel moeilijker op hun kwaliteit te beoordelen zijn dan de resultaten van al uitgevoerd onderzoek. Wel wordt de kwaliteit van de aanvragers van de subsidies meegenomen. Maar in een behoorlijk deel van de gevallen zijn de echte uitvoerders de nog aan te trekken promovendi of postdocs, en niet de aanvragers.

• Ten derde is gebleken dat een substantieel deel van de niet gehonoreerde aanvragers wetenschappelijk gezien niet onderdoet voor, of zelfs beter is dan, de wel gehonoreerden.

• Ten vierde hebben echt creatieve en innovatieve voorstellen het in dit soort beoordelingsystemen moeilijk: met de steeds toenemende concurrentie groeit ook de druk om in de aanvragen steeds gedetailleerder te anticiperen op de te verkrijgen resultaten.

• Ten vijfde wordt een succesvolle aanvraag in de vernieuwingsimpuls (Veni, Vidi of Vici) in toenemende mate gehanteerd als een noodzakelijke voorwaarde voor een vaste aanstelling aan de universiteit of een bevordering van UD tot UHD of hoogleraar. Deze praktijk, die ook de bovengenoemde rol van de universiteiten zelf illustreert, heeft twee gevolgen. Ten eerste verkleint deze de mogelijkheid van universiteiten of faculteiten om een eigen inhoudelijk onderzoeksbeleid te ontwikkelen en te realiseren. Ten tweede wordt de invloed van de onderzoekscomponent bij universitaire benoemingen en bevorderingen vergroot, ten koste van de onderwijscomponent (die onder de huidige omstandigheden toch al vaak in het gedrang komt).

• Ten zesde leidt de combinatie van universitaire aanvraagdruk en begrotingstekorten soms tot paradoxale situaties. Aan de ene kant wordt men geprest om onderzoeksubsidies aan te vragen, terwijl dat tegelijkertijd verboden wordt op grond van de extra kosten (vooral: wachtgeldverplichtingen) die dat voor een faculteit met zich mee brengt.

• Ten slotte worden potentieel hoogwaardige Vidi- en Vici-aanvragen van oudere aanvragers de facto uitgesloten van de competitie, een praktijk waarvoor zeker in de alfa- en gammawetenschappen geen enkele goede reden te bedenken is.

Bergen papier

Rond deze aanvragen voor onderzoekssubsidies is in de loop van de tijd een enorm systeem van activiteiten ontstaan. De aanvragers en hun begeleiders steken er zeer veel tijd in; de universiteiten en faculteiten leveren allerlei ondersteunende diensten of huren externe adviseurs in; de leden van de vele NWO-commissies moeten bergen papier doorwerken; de nationale en internationale referenten worden geacht voor iedere aanvraag een aantal degelijk onderbouwde beoordelingsrapporten te verschaffen; en het geheel wordt natuurlijk begeleid door het ambtenarenapparaat van NWO. De conclusie van heel wat universitaire onderzoekers is dat dit een uit zijn voegen gebarsten systeem is, dat een onverantwoorde verspilling van tijd, energie en geld met zich meebrengt.

Reviewers betalen

Dit laatste biedt mijns inziens een aanknopingspunt om een eerste stap te zetten in een nadere analyse van de problematiek. Om te beginnen heeft een groep van 71 universitaire wetenschappers actie ondernomen om deze problematiek pregnant onder de aandacht te brengen. Hun beslissing om een realistische vergoeding (dat wil zeggen: full cost) te gaan vragen voor het schrijven van beoordelingsrapporten en het deelnemen aan commissiewerk voor NWO maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste is het een belangrijk signaal van de scheefgroei in de financiering van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek tussen enerzijds de universiteiten en anderzijds NWO en vergelijkbare kennisinstellingen. En ten tweede is het een aanzet tot het zichtbaar maken van alle verborgen kosten van het huidige systeem van wetenschapsfinanciering via de tweede geldstroom. Het gaat hier om de uitvoeringskosten van overheidsbeleid en om de effectiviteit en efficiëntie van de inzet van overheidsmiddelen. Om een beter zicht te krijgen op de hierboven geschetste problematiek is een grondige wetenschappelijke studie van alle ermee verbonden kosten nodig. Op grond van de resultaten van een dergelijke studie kan dan de doelmatigheid van deze manier van onderzoeksfinanciering op een goed onderbouwde manier beoordeeld worden. En vervolgens kan deze analyse dan vergeleken worden met alternatieve modellen voor de organisatie en financiering van het universitaire onderzoek.

Werk voor de Rekenkamer

Deze studie naar de totale kosten van de tweede geldstroomfinanciering zou uitgevoerd moeten worden door onafhankelijke wetenschappers met verstand van de wetenschappelijke en sociaal-economische problematiek in het wetenschapsbeleid. Je zou zelfs kunnen stellen dat hier een taak ligt voor een onderzoek door de Algemene Rekenkamer. Als de samenwerkende universiteiten oog hebben voor het belang van hoogwaardige wetenschap; als NWO zich een kritische organisatie toont, wie de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek ter harte gaat; en als ten slotte de onderwijsdeskundigen in de Tweede Kamer echt geïnteresseerd zijn in het terugdringen van ineffectieve en inefficiënte besteding van belastinggeld; dan mag van deze drie betrokken partijen steun gevraagd worden voor de realisering van dit urgente wetenschapspolitieke onderzoek. Ik zie de resultaten ervan met grote belangstelling tegemoet.

Hans Radder, hoogleraar theoretische filosofie

19 oktober 2011

hits 4414

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties