Toezicht op onderwijs moet minder bedrijfsmatig

OPINIE

07 februari 2017

Toezicht op onderwijs moet minder bedrijfsmatig

De school is geen bedrijf, maar een waardegemeenschap. En de raad van  toezicht moet die gedeelde waarden bewaken, vindt Hans Boutellier.

 

Het toezicht op onderwijs moet anders. Dat is in de afgelopen decennia vooral ingevuld vanuit een bedrijfsmatige visie op het functioneren van (semi)publieke organisaties. Bovendien heeft het toezicht de neiging zich te richten op de wettelijke kaders, met de minister als spreekwoordelijke grootaandeelhouder. Maar de school is geen bedrijf. Zij is een waardegemeenschap met gedeelde waarden en een inhoudelijke richting. De raad van toezicht moet ervoor zorgen dat die inhoudelijke richting wordt bepaald en ziet toe op de kwaliteit van een meerstemmige discussie hierover.

Het onderwijs vormt de grondslag van de continuïteit van de samenleving. De school heeft maatschappelijke waarde, iets dat groter is dan de school zelf, en dat steeds opnieuw en lokaal wordt gedefinieerd. Zo schuilt een gemeenschappelijke kern van al het onderwijs in de verhouding tussen leerkracht en leerling, tussen het oude dat wordt doorgegeven en het nieuwe dat gaat ontstaan. Onderwijs verwijst volgens filosoof Hannah Arendt niet alleen naar dat wat er al is, maar vertegenwoordigt ook een begin. Onderwijs heeft maatschappelijke betekenis – dat ligt voor de hand, maar wordt vaak vergeten.

De school draagt bij aan het algemeen belang. De meningen over wat dat is lopen vanzelfsprekend uiteen – dat is het grote goed van een pluriforme democratische rechtsstaat. Tegelijk is diezelfde rechtsstaat afhankelijk van de kwaliteit van de volgende generaties, jaar in jaar uit. Een school is er voor diploma’s, maar bereidt ook voor op een (volwassen) leven binnen diezelfde samenleving. Dan gaat het over burgerschap, levenskunst, omgangsvormen en culturele vorming. Dat vraagt veel van een school, en dus ook van het toezicht daarop.

Het komt erop aan de signalen van de tijd goed te begrijpen en er met beleid naar te handelen. Een conflict in Turkije kan zomaar een rol spelen in een Nederlands klaslokaal. Scholen staan voor de vraag wie zij willen zijn, hoe zij zich verhouden tot  de omgeving en wat zij willen betekenen voor de samenleving. Onzekere tijden vragen om duidelijke posities. De relatie met de buitenwereld vraagt erom dat je weet wie je bent en wat je wilt.

Wat betekent dit voor de toezichthouders in het onderwijs? Scholen functioneren binnen een netwerkstructuur. Er zijn steeds meer belanghebbenden en samenwerkingspartners met eigen verwachtingen en eisen. Dat maakt besturen in het onderwijs ingewikkeld, maar het biedt ook een kans voor beter toezicht, en wel op twee manieren. Bij de samenstelling van de raad ziet men erop toe dat de belangen in de omgeving zijn vertegenwoordigd. Een mbo-instelling heeft bijvoorbeeld iemand van het midden- en kleinbedrijf in de gelederen.

Belangrijker nog is dat de raad van toezicht zich niet alleen laat informeren door het bestuur.  Hij zorgt ook zelf voor zicht op de schoolomgeving, onderhoudt relaties met relevante derde partijen en betrekt informatie uit de omgeving. De raad ondersteunt in die zin het schoolbestuur in het vormgeven van de eigen identiteit en houdt het scherp. Wie zijn we, en hoe doen we ertoe voor onze omgeving?    

--

Dit opiniestuk is gebaseerd op het visierapport 'Beter toezien' dat Boutellier schreef voor de Vereniging van toezichthouders in het onderwijs. Lees de integrale versie op vtoi.nl

Hans Boutellier is hoogleraar veiligheid en veerkracht aan de VU en directeur van het Verwey-Jonker Instituut
hits 2589

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties