Donorwet botst met recht op lichamelijke integriteit

OPINIE

10 oktober 2016

Donorwet botst met recht op lichamelijke integriteit

Zonder wettelijk kader en betere voorlichting is het voorgestelde donorregistratiesysteem in strijd met het grondrecht op lichamelijke integriteit, stelt hoogleraar Britta van Beers.

Als het aan Dijkstra’s wetsvoorstel ligt, moeten we straks allemaal een keuze maken om wel of niet als orgaandonor geregistreerd te staan. Doen we dat niet, dan maakt de overheid de keuze voor ons. Een analyse van artikel 11 Grondwet, waarin dit grondrecht is neergelegd, maakt duidelijk dat een dergelijke keuzeplicht wringt met het recht op lichamelijke integriteit.

Uit de grondwetsgeschiedenis en jurisprudentie blijkt dat het recht op lichamelijke integriteit burgers primair bescherming biedt tegen inbreuken op hun lichaam door anderen, tenzij zij daar expliciete en geïnformeerde toestemming voor hebben gegeven.

Een eerste vraag is of een geenbezwaarsysteem, dat uitgaat van de geldigheid van stilzwijgende toestemming voor orgaanuitname, aan dit grondwettelijk vereiste voldoet. Daarnaast kan men zich afvragen of er in de huidige omstandigheden wel sprake is van geïnformeerde toestemming van donoren. Een aantal ontwikkelingen stelt op dat tweede punt niet gerust.

Zo oordeelde de Reclame Code Commissie recentelijk dat de overheid op haar voorlichtingssite onvoldoende duidelijk maakt wat wordt bedoeld met orgaandonatie na ‘overlijden’. In de praktijk zijn veel donoren niet in traditionele zin dood wanneer hun organen worden verwijderd, maar hersendood. Volgens de commissie is die informatie essentieel voor de beslissing of men zich als donor laat registreren.

Op zich kan de informatie op de overheidssite makkelijk worden aangepast. Maar de kwestie legt een veel dieper probleem bloot. De vraag is hoe geïnformeerd burgers kunnen zijn ten aanzien van een hoogtechnologische praktijk waarbij de ontwikkelingen in razendsnel tempo elkaar opvolgen en telkens nieuwe morele dilemma’s opwerpen. Zelfs de wetgever kan het tempo niet aan. Daarom laat de Wet op de orgaandonatie het aan wetenschappelijke commissies om de hersendood periodiek te definiëren in zogeheten hersendoodprotocollen. En om die reden wordt in diezelfde wet met geen woord gerept over een alternatieve manier om de dood vast te stellen, die volgens de Gezondheidsraad al in ruim de helft van de gevallen wordt toegepast. Het gaat hierbij om donoren die (nog) niet hersendood zijn, maar bij wie een aanstaande dood is te verwachten. In die gevallen kan orgaanuitname plaatsvinden na een hartstilstand die veroorzaakt wordt door het loskoppelen van de patiënt van de beademingsapparatuur.

En zal in de toekomst vooronderstelde toestemming ook voldoende worden geacht voor postmortale donatie van lichaamsmateriaal aan de wetenschap? Dat dit geen ongegronde vrees is, wordt geïllustreerd door het Belgische geenbezwaarsysteem. Zonder dat veel Belgische burgers daar erg in hadden, is de regelgeving in 2008 zo aangepast, dat hun vooronderstelde toestemming nu ook geacht wordt te gelden voor donatie van hun lichaamsweefsels aan de wetenschap.

Deze ontwikkelingen maken duidelijk dat geïnformeerde toestemming in het geval van postmortale orgaandonatie een relatief begrip is. Als zelfs de wetgever achter de feiten aanloopt, hoe kun je dan van burgers verwachten dat zij weten waarmee zij, al dan niet stilzwijgend, instemmen? Mocht de Eerste Kamer Dijkstra’s wetsvoorstel aannemen, dan moet de voorlichting over orgaandonatie en het bestaande wettelijke kader aanzienlijk verbeteren. Zonder deze aanpassingen kan geoordeeld worden dat het wetsvoorstel in strijd is met het recht op lichamelijke integriteit. 

Britta van Beers is universitair hoofddocent rechtsfilosofie.

Britta van Beers
hits 3757

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties