De rechter moet gelovigen beschermen

OPINIE

18 februari 2014

De rechter moet gelovigen beschermen

Het strafrecht bewaakt de vrijheid van gelovigen afdoende. De rechters moeten dat artikel alleen eens goed afstoffen. Aldus Wouter Veraart, hoogleraar encyclopedie der rechtswetenschap en rechtsfilosofie.

Op 3 december vorig jaar kwam na een stemming in de Eerste Kamer een einde aan het wettelijk verbod op godslastering. Dat verbod op ‘smalende godslasteringen’, sinds 1932 opgenomen in ons Wetboek van Strafrecht, was in de praktijk al lang een dode letter. Afschaffing leek daarom vooral van symbolische betekenis te zijn, maar toch ging de senaat niet zonder meer akkoord met de verdwijning van het verbod. Er werd namelijk een motie aangenomen waarin er bij de regering op werd aangedrongen te onderzoeken of aanpassing van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht zou kunnen leiden tot een “genoegzame bescherming” tegen belediging van iemands geloof.

Dat is een opmerkelijk verzoek. Artikel 137c verbiedt al belediging van een groep mensen onder meer op grond van geloof: “Hij die zich […] opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie”, klinkt het plechtig in het eerste lid van dit artikel.

Wie die juridische formulering tot zich laat doordringen, zou misschien kunnen concluderen dat het op basis van de bestaande tekst van artikel 137c al mogelijk zou moeten zijn om mensen te veroordelen voor belediging wegens geloof. Natuurlijk, godsdienstkritiek, inclusief de meest ruige vormen van satire, spot en hoon, zullen gelovigen moeten accepteren zolang zij in een democratie leven waarin vrijheid van meningsuiting geldt. 

Maar er bestaan uitingen die zo kwetsend zijn over andermans religie dat daarin een ontkenning van de rechten van de gelovigen zelf ligt besloten. Denk bijvoorbeeld aan de radicale oproep van Wilders om de koran in Nederland te verbieden omdat het zou gaan om een fascistisch boek. Moet een dergelijke uitspraak gekwalificeerd worden als godsdienstkritiek of als een uitspraak die direct beledigend, zo niet bedreigend is voor de gelovigen zelf? Zelf meen ik het laatste, omdat Wilders’ aanhoudende oproep tot een koranverbod zich niet beperkt tot godsdienstkritiek, maar expliciet een einde wenst aan de grondwettelijke vrijheid van godsdienst van een grote groep gelovigen in Nederland. Dergelijke uitspraken gaan door merg en been omdat zij niet langer slechts de godsdienst, maar ook elementaire grondrechten van de gelovigen zelf aanvallen. In mijn ogen een abc-voorbeeld van een uiting waarvoor een artikel als 137c van het Wetboek van Strafrecht geschreven is.

Zo niet volgens de Nederlandse rechter. De Amsterdamse rechtbank sprak Wilders in juni 2011 onder meer vrij voor een uitlating waarin hij tot een koranverbod had opgeroepen. Het argument van de rechtbank was dat die uitspraak niet over de gelovigen, maar slechts over de godsdienst was gegaan. Een rechter die dat beweert heeft de reikwijdte van Wilders’ uitlating echter niet tot zich willen laten doordringen. Gevolg van deze lijn in de Nederlandse rechtspraak is wel dat ook het artikel 137c dode letters in ons strafrecht lijken te zijn geworden.

Conclusie: er is een reanimatie van dit artikel nodig, zodat het zijn beschermende werk kan doen. Die uitdaging ligt echter niet in het parlement, maar bij de rechter en het Openbaar Ministerie.

 

 

Wouter Veraart
hits 3894

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties