Amsterdams verbod op straatintimidatie is niet levensvatbaar

OPINIE

15 december 2016

Amsterdams verbod op straatintimidatie is niet levensvatbaar

De gemeente gaat niet over een verbod op straatintimidatie, vinden twee hoogleraren rechten.

Bij de gemeenteraad van Amsterdam ligt een voorstel om de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) uit te breiden met een bepaling die straatintimidatie moet kunnen tegengaan: ‘Het is verboden om aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw dan wel een bijbehorend erf anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.’

Het siert de initiatiefnemers dat ze opkomen tegen intimidatie. Vrouwen en ook homoseksuelen blijken op grote schaal slachtoffer van denigrerende uitingen op straat. Onderzoek laat zien dat dit verschijnsel de afgelopen jaren in ernst en omvang alleen maar is toegenomen. Zie ook de site: straatintimidatie.org. De vraag die rijst is of het Amsterdamse voorstel juridisch gezien ook houdbaar is. Is deze bepaling niet eenzelfde lot beschoren als bijvoorbeeld de eerder vernietigde verboden om te vloeken, ruwe taal of onzedelijke taal te bezigen of te vloeken in door christelijke partijen gedomineerde gemeenten?

Art. 7 lid 3 Grondwet bepaalt dat voor het openbaren van gedachten of gevoelens niemand voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dat laatste zinsdeel houdt in dat alleen de wetgever – regering en Staten-Generaal – de inhoud van een boodschap kunnen beperken.

De regel lijkt volstrekt duidelijk: een gemeenteraad kan geen inhoudelijke beperkingen stellen aan uitingen. Toch weerhield het vele gemeenteraden er in het verleden niet van dit wel te proberen met de bepaling: ‘Het is verboden in het openbaar: iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstoot gevende taal lastig te vallen (…) dan wel op andere wijze overlast aan te doen.’  Achter die laatste woorden moet worden gelezen: voor zover dit plaatsvindt door middel van roepen, schreeuwen enzovoort.

Overtreding van deze bepaling leidde in de jaren negentig van de vorige eeuw tot tweemaal toe tot een uitspraak waarin de Hoge Raad de desbetreffende verordening onverbindend verklaarde. Hierdoor ging de man die tegen een parkeerwachter zei: “Dan duw je die teringbon er maar onder, vuile kankerzak” vrijuit. En dat was ook het geval met de man die een andere persoon in het openbaar de woorden “lelijke rotkop” toebeet.

Ook in Amsterdam hoopt men met het openbare-orde-argument de blokkade van art. 7 Grondwet te omzeilen. Maar ook nu zal die poging weinig kansrijk zijn. Het is duidelijk niet de bedoeling van het gemeentebestuur om geluidshinder of ander fysiek ongemak tegen te gaan. De te bestrijden overlast is een rechtstreeks gevolg van de inhoud van de boodschap die sissend, schreeuwend, roepend of hoe dan ook wordt uitgezonden. Om die reden is de APV-bepaling wel degelijk censurerend bedoeld.

De conclusie kan niet anders zijn dan dat de Amsterdamse concept-verordening niet levensvatbaar is.

De integrale versie van dit artikel is gepubliceerd op www.openbareorde.nl>Verbod op straatintimidatie?

Jon Schilder is hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de VU en Jan Brouwer is hoogleraar rechten aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Jon Schilder en Jan Brouwer
hits 2671

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties