Is dat kunst of mag het weg?

10 november 2015

Is dat kunst of mag het weg?

De vrouw achter de kassa van De Nieuwe Kerk legde me mijn versverworven museumjaarkaart uit. Voor ik had bedacht dat ik eigenlijk niet per se naar dít museum wilde, volgde er een soort afstandsbediening. “De audiotour”, zei ze. “Oké”, zei ik en vroeg niet waar het koptelefoontje was. Die koptelefoontjes ken ik van de periode tussen mijn zestiende en mijn twintigste. Als je onder de achttien lijkt, mag je gratis het Rijksmuseum in en ik deed dat vaak; in mijn herinnering is het hele museum leeg en dwaal ik ongestoord luisterend naar een stem, maar niet per se woorden, langs de Rembrandts. Van kunstgeschiedenis weet ik - ondanks dat dwalen - nog steeds heel weinig, wat jammer is. Vandaar die museumkaart.

Het was druk. Er liepen hordes mensen rond die elkaar en mij opzij duwden om, zo bleek, hun audiotour tegen zwarte plaatjes onder museumstukken te houden. Een kille piep hoor je dan, en de museumganger brengt om niets te missen snel de audiotour naar het oor. Als een telefoon.

Dit, dacht ik, is het wetenschappelijke bewijs dat bellen achter het stuur niet goed is, want eenmaal aan de tour gekluisterd had men geen oog meer voor de omgeving. De leren rugzakjes en artistieke brillen kropen over elkaar heen als hamsters in een te kleine kooi. Het rook in de verte naar visrestaurant, op een of andere manier de geur die om chique doch belegen cultuursnuivers heen hangt. Een akelig toekomstvisioen drong zich aan me op.

Het rook naar visrestaurant, de geur die
om chique doch belegen cultuursnuivers hangt

Ik probeerde iets mee te krijgen over keizer Constantijn en begreep niet precies wat nu wel en niet reproductie was. En al die audiotours stonden heel erg hard waardoor er, naast de in safarigilet gehesen mannen die luidkeels hun vrouwen onderwezen over wapenuitrustingen, ook een blikken gefluister door de kerk zong.

Ik werd in mijn gezicht geslagen door een vrouw die met de slagarm uit wilde beelden hoe breed, groot of lang iets was en met de andere dat lispelende apparaat tegen haar asymmetrische kapsel hield. Ze merkte het niet, ze was aan het luisteren en aan het praten en naast haar stond een vriendin die hetzelfde deed, zo’n beetje als vogels die allebei een andere kant op fluiten.

Ik vluchtte, naar het Rijks. De gangen duizelingwekkend vol, tot helemaal bovenin, waar ik zonder audiotour een tijdlang naar een antieke vliegmasjien staarde. Het vliegtuig is vernoemd naar een Japanse vechthaan, maar mist de twee mitrailleurs die er oorspronkelijk bij hoorden en ook kan het niet meer vliegen, waardoor ik, de barbaar, het in z’n geheel niet meer interessant vond. Achter me niesde een kind tegen een designstoel aan en haar moeder riep: “Oh my God, God damnit.”

Ik vluchtte, naar buiten. Bij een kraam at ik een toeristenhotdog met veel saus, ik zat aan een houten picknicktafel en zag de mensen, al die mensen en de zon scheen en ergens barstte een heerlijk vals blaasorkest los. Het fijne van kunst, dacht ik, is dat het er morgen ook nog wel is en ik negeerde gedachten over dichtgeknepen geldkranen, onthoofde standbeelden – ik ging naar huis. Een kerstfilm kijken. Soms kun je niks anders.

 

hits 4161

Reageren?

Houd je bij het onderwerp, en toon respect: commerciële uitingen, smaad, schelden en discrimineren zijn niet toegestaan. De redactie gaat niet in discussie over verwijderde reacties