De VU is een gewone universiteit geworden

ACHTERGROND

aanvullende informatie bij artikelen in het magazine en op de site

De VU is een gewone universiteit geworden

Cees Paardekooper schreef een boek over de geschiedenis van de studentenbeweging aan de VU in de jaren zeventig. Een interview

 

Mede door de acties van de studentenbeweging voor goed onderwijs is de VU van een bijzondere gereformeerde universiteit veranderd in een normale massa universiteit. Dit concludeert Cees Paardekooper in zijn boek over de geschiedenis van de studentenbeweging aan de VU in de jaren zeventig. Het boek ‘Omstreden normalisering’ wordt 13 juni gepresenteerd.

Vanwaar de titel ‘Omstreden normalisering’?

“In eerste instantie wilde ik een verhaal schrijven over de moeizame weg van de elite universiteit naar een massa-universiteit vanuit het perspectief van de radicale studentenbeweging. Want dat proces voltrok zich na de jaren zestig van de vorige eeuw. De oude universiteiten waar de hoogleraren de baas waren, ontploften en het ancien regime werd weggevaagd. Ik vroeg me later vooral af wat er specifiek was aan de geschiedenis aan de VU. Studenten en medewerkers, maar ook hoogleraren waren in die tijd erg bezig met de vraag hoe je aan deze bijzondere gereformeerde universiteit ‘gewone’ wetenschap kon bedrijven die voldoet aan eisen van kwaliteit en relevantie. Toen kwam ik het woord ‘normaal’ tegen. Dat bleek aan de VU een beladen betekenis te hebben. Abraham Kuyper noemde de oprichting van de VU in 1880 namelijk een abnormaal project. Een daad van verzet tegen het alom opkomende seculiere modernisme in de samenleving. In de loop der decennia ontstaat aan de VU een voortdurende spanning tussen geloof en wetenschap. Steeds meer hoogleraren zien in dat een specifieke christelijke wetenschap niet bestaat. Door de opkomst van de studentenbeweging in de jaren zestig en zeventig is dat proces in een versnelling geraakt. Dat de VU een normale massa-universiteit moest worden, was echter niet voor iedereen vanzelfsprekend. Het was omstreden. Vandaar de titel.”

 

Politieke discriminatie

Een van de terugkomende strijdpunten tussen studentenbeweging en bestuurders van de VU was de eis van studenten dat de universiteit zich aan de wet moest houden, vooral waar het gaat om medezeggenschap van studenten en medewerkers. Dat punt speelde zelfs nog bij de laatste bezetting van een VU-gebouw in 1997 bij de invoering van de Wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie (MUB). Is dat een rode draad?

“Jazeker. Heel vaak claimden de bestuurders een uitzonderingspositie omdat de VU een bijzondere, private instelling is. Eind jaren zestig en begin zeventig speelde de democratisering heftig ten tijde van de invoering van de Wet Universitair Bestuur (WUB). Dat ging met veel conflicten gepaard. Bestuurders wilden bijvoorbeeld regelen dat alleen studenten die instemden met de christelijke doelstelling in de universiteitsraad mochten zitten. Maar de hoogleraren en bestuurders vormden eind jaren zestig allang geen gesloten blok meer. De protestantse zuil was duidelijk al in crisis. Harry Brinkman bijvoorbeeld die meer dan twintig jaar in het college van bestuur heeft gezeten en tot 1997 collegevoorzitter was, vond ook dat de VU moest moderniseren om überhaupt als bijzondere instelling te kunnen overleven. Daarentegen waren er conservatieve hoogleraren, zoals rector I.A. Diepenhorst, die met alle mogelijke middelen studenten met vermeende radicale en communistische sympathieën buiten alle besturen en benoemingscommissies probeerden te houden. Eind jaren zestig ketste nog een benoeming van een lector politicologie af omdat hij lid was van de Partij van de Arbeid. Zo gesloten was de VU. Maar de orthodoxen hebben vanaf de jaren zeventig duidelijk het onderspit gedolven. De nieuwe bestuurders vonden dat het vooral moest gaan om het niveau en de relevantie van onderwijs en onderzoek. Daar rekent de samenleving de universiteit tenslotte op af. Na de financiële gelijkstelling in 1970 is ook de VU afhankelijk geworden van overheidsfinanciering. Een van mijn stellingen is dat de radicale studentenbeweging, voor een deel onbedoeld, heeft bijgedragen aan het voortbestaan van de VU. Doordat zij goed en pluriform onderwijs en onderzoek eiste, moest de VU wel moderniseren om voldoende studenten te blijven trekken. Overigens ook veel stafleden hebben hieraan hun bijdrage geleverd.”

 

Radicale christenen

Kwam die modernisering niet vooral opgang omdat er steeds meer niet-gereformeerde studenten kwamen studeren dankzij die massificatie?

“Zeker, dat speelde ook een rol. Het aantal studenten verdrievoudigde tussen 1960 en 1970 naar zo’n tienduizend. De huiskameruniversiteit zoals ik het noem, bijvoorbeeld in villa’s aan het Vondelpark, implodeerde. Vergeet echter niet dat al heel wat gereformeerde jongeren zelf aan het radicaliseren waren. Je had bijvoorbeeld een groep ‘radicale christenen’, waarbij ook latere VU-hoogleraren betrokken waren. En op de middelbare school waren veel gereformeerde jongeren actief in derde-wereldwinkels, tegen de apartheid in Zuid-Afrika en voor een beter milieu. Ze wilden de met de mond beleden christelijke naastenliefde in praktijk brengen. Veel van die studenten werden op de VU actief in de studentenbeweging. Aan de VU besteedde de studentenbeweging daarom ook veel aandacht aan wetenschapsinhoudelijke vragen omdat de opleidingen hier zo eenzijdig waren. Men wilde een meer kritische benadering. Aan de UVA was dat vanzelfsprekender omdat de wetenschappelijke staf daar veel diverser was samengesteld. Hier moesten docenten nog instemmen met het christelijk karakter om een aanstelling te krijgen. Dat speelde niet alleen op de sociale faculteit en bij letteren. Ook bij geneeskunde en de bèta’s kwam aandacht voor wetenschap en samenleving. Op de exacte faculteiten is de ooit zo florerende wetenschapswinkel opgericht.”

 

Projectonderwijs

Toch heeft de studentenbeweging nooit expliciet het christelijk karakter van de VU aangevallen...

“Dat is inderdaad opmerkelijk. Studenten hielden zich niet zo bezig met de godsdienstige en theologische twisten op de achtergrond. Ze wilden de wereld verbeteren. Voor een deel haalden ze hun inspiratie uit de bevrijdingstheologie die in Zuid-Amerika toen een grote rol speelde en dat was weer een opstapje om zich in het socialisme en marxisme te verdiepen. Het idee was dat als de VU zou moderniseren en radicaliseren hun ideeën daar goed binnen pasten. Heel wat docenten en hoogleraren waren met vergelijkbare thema’s bezig. De VU was in de jaren zestig bijvoorbeeld de eerste universiteit in Nederland die daadwerkelijk iets deed aan ontwikkelingssamenwerking. En bezig was met rentmeesterschap als antwoord op de vernietiging van het milieu. Hoogleraar arbeidssociologie Van Zuthem pleitte zelfs voor arbeiderszelfbestuur. Dus studenten zagen coalitiemogelijkheden. Men pleitte onder meer voor projectonderwijs om de buurten in te gaan en daar problemen aan te pakken. Dat gebeurde ook daadwerkelijk. Maar pragmatische redenen speelden ook mee. Door het actieve kader van de studentenbeweging werd een frontale aanval op de christelijke doelstelling niet opportuun gevonden. Men vreesde die aanval nooit te kunnen winnen. Door zo’n aanval zou waarschijnlijk nog repressiever tegen student-activisten worden opgetreden. Bovendien waren er ook actieve studenten voor wie het christendom een inspiratiebron was. Wel kwam het regelmatig voor dat studenten uit onvrede overstapten naar de UvA.”

 


Bezetting Maagdenhuis

Veel mensen denken dat de studentenbeweging ontstond rondom de bezetting van het Maagdenhuis in 1969, toen ook het bestuurscentrum van de VU in het toenmalige Provisorium werd bezet. Maar jij zegt dat die bezetting het einde inluidde van de Studenten Vak Beweging. Hoe zit dat?

“De geschiedenis van de studentenbeweging is heel cyclisch. Dat heeft de voorman van de Maagdenhuisbezetting Ton Regtien toen al gezegd. Een factor is dat studentenorganisaties zich telkens opnieuw moeten uitvinden, simpelweg omdat mensen na een paar jaar afstuderen. Dat gebeurde na de Maagdenhuisbezetting ook met veel oprichters van de SVB die in 1963 onder meer ijverden voor invoering van studieloon. Ook vonden veel studenten de resultaten van de democratiseringsbeweging teleurstellend. De eis one man one vote werd niet volledig ingewilligd. Bovendien gaf de PvdA-burgemeester Samkalden de politie opdracht het Maagdenhuis te ontruimen. Reden voor Regtien om gelijk zijn lidmaatschap van de PvdA op te zeggen. De studentenbeweging heeft vaak weinig talent gehad om compromissen als een positief resultaat te zien. Zo kwam er na de Maagdenhuisbezetting een behoorlijk progressieve Wet op het Universitair Bestuur, de WUB. Studenten en medewerkers kregen medezeggenschap op alle niveaus, de oude bestuursvormen werden afgebroken. Ze hadden veel meer te vertellen dan nu het geval is. Maar de studenten  gooiden in 1969 massaal morrend en teleurgesteld de handdoek in de ring en gingen in kleine studiegroepjes zich in de kritische theorie en het marxisme verdiepen. Dat was de tijd van de Rode Eenheden, waarbij het woord belangrijker was dan de daad. Men bestreed vooral elkaar over wat de juiste theoretische inzichten waren. Sommige mensen hielden de universiteit helemaal voor gezien om zich daadwerkelijk aan te sluiten bij de arbeidersbeweging, zoals Paul Rosenmöller die in de Rotterdamse haven ging werken en daar vakbonds- en stakingsleider werd.”

 

Boycot 1000 gulden

Maar gelukkig verhoogde in 1972 het kabinet-Biesheuvel het collegegeld van 200 naar 1000 gulden. Daardoor kon de studentenvakbond weer opbloeien met een grote boycotactie van de collegegelden.

 “Dat leverde inderdaad een concreet actiethema op, waarop de studentenbeweging zich landelijk kon richten. Inmiddels was de oude Studentenvakbond SVB ter ziele gegaan en werd voorzichtig geprobeerd weer een landelijke studentenvakbond op te richten. Het toenmalige kabinet wilde hard bezuinigen op allerlei sociale voorzieningen en dat riep breed protest op in de samenleving. Er was veel steun voor de boycotacties van studenten omdat door de verhoging van het collegegeld de brede toegang tot de universiteiten in gevaar kwam. Maar op de universiteiten, zeker op de VU, leidde de boycot tot veel conflicten met de universitaire bestuurders die boycottende studenten niet wilden inschrijven. Aan de VU zijn toen in drie jaar tijd meer dan dertig bezettingen uitgevoerd. Op een gegeven moment was het voor veel studenten niet goed meer te volgen waar het allemaal nog om ging. Zeker toen de nieuwe regering van Den Uyl in 1974 de verhoging deels terugdraaide naar 500 gulden. Ook toen zagen veel studentenleiders dat niet als een mooi resultaat. Ze wilde doorgaan met de boycot. Daarbij haakte veel studenten af en raakte de studentenbeweging weer in de versukkeling om na 1977 helemaal weg te zakken tot in 1981 opnieuw de LSVb werd opgericht.”

 

Invloed CPN

Veel studenten vonden toen dat de communistische partij (CPN) een veel te grote vinger in de pap had en daarom niet meer mee wilde doen. Hoe zie jij dat?

“Op de achtergrond speelde de CPN na 1970 zeker een rol om weer een landelijke studentenbond van de grond te krijgen, maar die rol moet je op de VU ook weer niet overdrijven. Hier was voor 1970 nauwelijks een student lid van de CPN. Marius Ernsting bijvoorbeeld, een van de studentenleiders bij de democratiseringsbeweging aan de VU in 1969, kwam voor de Kabouterpartij in de gemeenteraad van Amsterdam. En dat waren zeker geen vrienden van de CPN. Pas veel later kwam hij voor de CPN in de Tweede Kamer terecht. Hij was eerst actief in de Rode eenheid op de VU. Het is hun verdienste dat de studentenbeweging aan de VU zich richtte op onderwijspolitiek en wat ik noem ‘wetenschapspolitieke strijdpunten’ als confrontatiestudie, pluriform aanbod van wetenschappelijke benaderingen, projectonderwijs en organiseer je eigen studie. Later  ontstond  er aan de VU wel een actieve ledengroep van de CPN die tot 1977 zeker groeide in omvang en invloed. Ze bespraken bijvoorbeeld welke studenten zich kandidaat zouden stellen voor een functie in het bestuur van de SRVU en  ze probeerden sommige acties te beïnvloeden. Maar de SRVU bleef redelijk onafhankelijk en faculteitsverenigingen, zoals Mundus, VSPVU, QBD en de MFVU, bleven autonoom functioneren. Bij de ASVA aan de UvA was de invloed van de CPN denk ik veel groter. Opvallend is ook weer is dat sommige student-activisten aan de VU geen lid van de CPN mochten worden omdat ze niet zuiver genoeg in de leer waren, bijvoorbeeld omdat ze banden hadden met de socialistische uitgeverij SUN in Nijmegen. Maar het is waar dat het niet best gesteld was met de interne democratie van de SRVU. Er bestond geen ledenraad en er waren geen verkiezingen voor het bestuur. Dat ging via coöptatie. Er was wel een beleidsraad  waarvan de leden werden benoemd door faculteitsverenigingen, maar die functioneerde wisselvallig. Er was altijd wel veel discussie, zeker in de wandelgangen, maar formele democratie was er niet echt. Een verklaring hiervoor is wellicht dat actieve studenten hun onderlinge meningsverschillen niet te veel in de openbaarheid wilden uitvechten. We hadden tenslotte een gemeenschappelijke vijand. Het bestuur van de VU en de regering in Den Haag. Eenheid in de strijd was een heel belangrijk motto. Natuurlijk zijn hierdoor studenten afgehaakt vanwege het gesloten en vermeende CPN karakter van de SRVU. Er waren ook andere redenen, zoals de opkomst van het feminisme, de kraakbeweging en allerlei vredes- en milieugroepen. Er waren in die tijd bijvoorbeeld enorm grote demonstraties tegen kernergie. Veel studenten werden daarin actief. Studenten laten zich meer drijven door idealen dan door hun sociaaleconomische belangen, die steeds dominanter werden in het eisenpakket van de landelijke studentenbeweging. Ergens rond 1977 was er een demonstratie voor hogere studiebeurzen. Ik geloof dat er honderd studenten meeliepen in de stoet door de binnenstad van Amsterdam. Daar werd je niet blij van.”

 

Kabinet Den Uyl

De studentenbeweging had ook een moeizame verhouding met de PvdA, terwijl het kabinet Den Uyl uit 1974 achteraf de meest progressieve regering van Nederland wordt genoemd. Hoe komt dat?

“Dan kom ik terug op een van de hoofdthema’s in mijn boek. De omvorming van een elite naar massa universiteit. Daar was de PvdA een groot voorstander van. Ook arbeiderskinderen moesten kunnen gaan studeren. Maar de PvdA met minister van onderwijs Van Kemenade voorop, vond wel dat de universiteiten daarvoor drastisch moesten worden omgevormd. Zo moest de studieduur terug naar maximaal vier à vijf jaar en de kosten in de hand worden gehouden. Zijn opvolger Pais van de VVD kortte de opleidingen uiteindelijk in tot vier jaar. We waren als studentenbeweging toen behoorlijk naïef. Eigenlijk wilden we de oude elitaire universiteit in stand houden, maar dan voor iedereen. Dus lekker acht jaar studeren zonder collegegeld te betalen, met studieloon en een goede betaalbare studentenkamer. Dat dat onbetaalbaar was, wilde er bij velen van ons niet in. Dan maar een paar straaljagers minder kopen, was het antwoord. Daar kwam bij dat de PvdA studentenpolitiek wilde inruilen voor jongerenpolitiek. Daarom werd bijvoorbeeld de aparte studentenhuisvesting afgeschaft in ruil voor woonrechten voor iedereen boven de achttien jaar. Dat vonden de studentenbonden een aantasting van de rechten van studenten. Toch bleven veel studenten sympathiek staan tegenover de PvdA. In de jaren zeventig kreeg de PvdA ruim veertig procent van de stemmen op Uilenstede. Eigenlijk had de studentenbeweging toen geen goede oplossing voor de overgang van elite naar massa universiteit voorhanden. In 1966 verscheen al een nota van regeringscommissaris Posthumus waarin staat wat er zoal kwam kijken bij zo'n grootschalige omvorming van het hoger onderwijs. Ik denk weleens dat hij toen al heel goed de problemen en dilemma’s heeft beschreven, terwijl veel kwesties nog steeds niet echt zijn opgelost. Vandaar dat we nu nog steeds de discussie hebben over een basisbeurs voor iedereen of een sociaal leenstelsel. En selectie op geschiktheid voor een universitaire studie is ook nog steeds een heikel punt."

 

Tegendraads

Aan het einde van het boek pleit je voor een herwaardering van de abnormale universiteit. Wat bedoel je daarmee?

“Wat ik zie is dat alle universiteiten, en vlak de hogescholen ook niet uit, massa-instituten zijn geworden waar in korte tijd zo veel mogelijk studenten hun diploma moeten halen. Op zichzelf is dat een fantastisch resultaat!. Maar de keerzijde is dat ze ook allemaal erg op elkaar zijn gaan lijken. Veel, zo niet alles draait om rendementscijfers en binnen financiële budgetten blijven. Bovendien is er een fors bureaucratisch evaluatie- en controlesysteem opgetuigd. Ik wil graag weer wat meervormigheid en gedurfde experimenten zien. Doe eens iets anders, wees een echte kritische universiteit. Maar niet allemaal hetzelfde alsjeblieft. Volgens mij vraagt deze tijd om diversiteit, kwaliteit en innovatief vermogen. Daar draait de discussie al een halve eeuw om bij de VU, maar andere universiteiten zijn geen haar beter. Zo normaal is de VU inmiddels wel geworden.”

Cees Paardekooper, Omstreden normalisering, de Vrije Universiteit in de jaren zeventig, uitgeverij Van Gennep, 380 blz. € 22,50

Het boek wordt donderdag 13 juni gepresenteerd.

 

Cees Paardekooper (1952) studeerde politicologie en bestuurskunde aan de VU van 1972 tot en met 1983. Hij was zelf actief in de studentenbeweging, onder meer als voorzitter van de faculteitsverening MUNDUS–SRVU bij Sociaal Culturele Wetenschappen van 1975 -76. Momenteel is hij werkzaam als organisatieadviseur, onder meer bij instellingen voor hoger onderwijs.

Lees in Advalvas 18 de voorpublicatie van hoofdstuk 8 op pag 10 t/m 14.

Dirk de Hoog
28 mei 2013
hits 8326